 |
Over
de Pyreneeën
| Brigit & Ludo Van
Lint
Ja hoor, ik leef nog. En weet dat ik jullie
nog een verhaal moeten leveren over het Spaanse deel van onze
Santiagotocht. Dat is onderweg niet gelukt. Eerlijk gezegd zijn de
dagen toch wel goed gevuld en is een mens meer moe dan ik
aanvankelijk had kunnen denken. Bovendien ben ik na onze terugkeer
enkele weken ziek geweest. Infectie van het evenwichtsorgaan,
onder meer met bijhorende hoofdpijn. Dat betekende onder meer dat
TV- en computer-kijken in december en januari niet altijd een
evidente zaak was. Al bij al verloopt ook de heraanpassing aan het
normale, dagelijkse, stedelijke leven toch wat trager dan gedacht.
Het leven van een permanente wandelaar langs de camino is toch wat
eenvoudiger dan het dagdagelijkse leven in Mortsel.
Eenvoudiger wil nog niet zeggen zonder
problemen. Als ik mijn dagboek er op na lees dan is het toch een
beetje een wonder dat ik de tocht heb uitgelopen. Vrijwel
dagelijks staat daarin wat te lezen over voetspieren die weer niet
meewillen en stel ik me de vraag of ik het wel zal halen… En
Brigit, zo lees ik, wil dikwijls sneller. Ze vindt het tempo te
traag. Aan haar stimulerende woorden – en de steun van een
aantal andere pelgrims – is het allicht te danken dat ik het
toch gehaald heb. Toch had Brigit ook haar problemen,
heimweeproblemen vooral. En dat had veel te maken met Wannes, onze
enkele maanden oude kleinzoon.
Even aansluiten bij een maanden geleden
verstuurde mail. Na ongeveer tweeduizend kilometer (via Reims, Vézelay,
Cluny en Le Puy) staan we in Saint-Jean-Pied-de-Port aan de voet
van de Pyreneeën. Er resten ons nog ongeveer 750 km. De eerste
week loopt broer Jef en schoonzus Tinne met ons mee. Samen met
tientallen andere pelgrims uit een lange reeks landen. Maar niet
uit Vlaanderen en nauwelijks uit Nederland. Dat zal tot in
Santiago zo blijven. We hebben in Spanje welgeteld één Vlaamse
pelgrim ontmoet (een fietser) en enkele Nederlanders. Blijkbaar
kiezen Vlamingen en Nederlanders allemaal voor de lente en de
zomer – en voor de grote drukte en warmer weer. Niet dat het in
september en oktober zó koud was, maar toch, af en toe was het
’s ochtends koud genoeg om handschoenen te dragen. Enkele
nachten heeft het ook gevroren.
Van de tocht over de Pyreneeën hebben veel
pelgrims schrik. De verhalen daarover zijn toch wel wat overdreven.
De etappe van Saint-Jean naar Roncesvalles is 27 km lang, 1 150
meter stijgen, 450 meter dalen. Maar stel je de tocht niet voor
als een echte bergtocht. Het overgrote deel loop je op asfalt.
Toch kan ik me indenken dat bij minimaal zicht en bij grote
sneeuwval verdwalen mogelijk is, zeker als je helemaal geen
bergervaring hebt. In de winter van 2006-2007 is er zo onder de
pelgrims nog een dodelijk slachtoffer gevallen. Je kan bij slecht
weer nog voor de – saaiere - autoweg kiezen (overigens de
historische route).
Maar bij goed weer zijn er geen problemen,
dan kies je uiteraard voor de mooiere route Napoléon.
Door de Pyreneeën loop je maar één dag.
Dag twee wandel je nog wel door de uitlopers met een pak pittig
dalende kilometer, zeker de vijf kilometer vóór Zubiri. En je
wandelt over nog meer mooie heuvels met panorama’s.
Tussen Pamplona en Puenta la Reina stijgt de
route stevig van 400 naar 800 meter naar de Alto del Perdón.
Altijd waait het er stevig. Boven op de kam staan dan ook
tientallen windmolens. En een van de mooiste monumenten ter ere
van de pelgrim langs de camino. Een rij roestige
pelgrimsilhouetten met stokken, vlaggen, paarden en ezels. Boven
kijk je uit over een weids, dor landschap. Heel in de verte ligt
Puenta la Reina.
Na León loop je een paar dagen rustig tussen
800 en 900 meter om dan, kort na Astorga, te stijgen naar
het beroemde Cruz de Ferro (1 504 m), het kruis waar al eeuwen
lang pelgrims de van thuis meegebrachte stenen achterlaten,
symbool voor alle zorgen die ze achter zich laten. Prachtige
uitzichten in deze Montes de León, tot Ponferrada. Aan de horizon
toppen tot boven 2000 meter. Steeneiken, donseiken, heide, brem,
gaspeldoorn en overal de herfsttijlozen die de meeste pelgrims
voor krokussen houden. Indrukwekkend eiken soms zoals de Roble del
Peregrino, kort voor Rabanal… Het doet wat om te weten dat
eeuwen geleden al pelgrims net als wij onder zijn takken verpozing
zochten. Kort voor het hoogste punt, het Cruz de Ferro loopt de
camino door Foncebadon. Eeuwenoude halte langs de camino. En dorp
waarover alle gidsjes vermelden dat je moet oppassen voor honden.
Ja, auteurs nemen af en toe informatie over van andere auteurs. Er
lopen in Foncebadon een paar honden rond maar dat zijn gewoon
brave beesten. In het dorp voorbij Foncebadon, Manjarin, houden
Brazilianen een heel eenvoudige refugio open. Nu ja, dorp, er is
geen huis meer heel. De bewoners zijn al lang weggetrokken. Op het
kerkhofje vertellen de doden over leven, of beter over-leven in de
Montes de León. Ruines en vervallen huizen vind je hier in de
verre omgeving. Minder in de dorpen langs de camino. Die is immers
de jongste decennia een belangrijke speler geworden in de lokale
economie. Meer dan elders kregen de mooie huizen met houten
balkonnetjes en zware platte stenen op het dak, een opknapbeurt.
Nog mooier dan de Montes de León zijn de
bergen in Galicië. Een Land van Kelten. En dat merk je meteen als
je na een paar uur wandelen op een van de mooiste bergpaden in O
Cebreiro arriveert. Een handvol mooi gerestaureerde granieten
huizen met ovalen stro- en bremdaken zorgen voor een Asterix- en
Obelixsfeertje. Maar een levend dorp is O Cebreiro niet meer.
Alleen pelgrims en toeristen lopen er hun rondjes. In alle
windrichtingen kijk je uit over groene bergen, zo ver je kan zien.
Groen want er is in Spanje geen streek waar het zoveel regent als
in Galicië. Groen, ook van milieu-onvriendelijke dennen en even
milieu-onvriendelijke eucalyptusbomen (de laatste etappes voor
Santiago). Maar ook het helgroene van weilanden doorsneden met
hagen of met prachtige eeuwenoude stenen muurtjes. In bossen en
bosjes groeien machtig mooie eeuwenoude kastanjes. Kerken staan
hier dikwijls niét in het midden van het dorp maar een heel eind
erbuiten, midden in het landschap. Langs de wegen vind je mooie
kruisen, altijd tweezijdig, Christus aan de ene kant, Maria of een
andere heilige aan de andere kant. Opvallend in de dorpen zijn de
hórreos, kleine schuurtjes op poten of soms dwars over de straat,
schuurtjes met een voorraad maïskolven.
De camino loopt ook door het noorden van de
Meseta, de enorme Spaanse hoogvlakte. Grosso modo tussen Burgos en
Leon. Je leest hierover de meest vreselijke dingen. Verhalen over
de eindeloze graanvelden, niet te doen bij dertig, veertig graden
Celsius... Om te beginnen liepen wij door de Meseta in oktober en
het was het er op sommige dagen, althans ’s ochtends, eerder
frisjes. Geen wiegende zeeën met goudgeel koren maar kale akkers
met hier en daar een boer op een tractor. Neen, saai vonden we de
meseta allerminst. De woestijn is toch ook niet saai? Je moet wel
wat oog voor detail hebben, voor kleine kleurschakeringen en voor
het lijnenspel in het landschap. De Meseta is ook niet altijd vlak.
Sommige heuvelruggen bieden je prachtige uitzichten. Een mooi
voorbeeld: de etappe van Castrojeriz naar Frómista. We vertrokken
toen de zon nog niet op was. Al vlug gaat het snel honderd meter
de hoogte in. Op het hoogste punt kwam langzaam de zon achter ons
boven de horizon. Prachtig dat uitzicht, prachtig die kleuren!
Iedereen verrukt. Enkelen staan er met gemengde gevoelens: mooie
zonsopgang maar óók een berg vuilnis…
Dieren
Gieren blijven fascinerende vogels. Helemaal
aan het eind van de voedselketen ruimen ze de kadavers op. In de
Pyreneeën zijn ze nog altijd in grote getale present. Net als de
karkassen langs de wandelroute.
Karkassen, al dan niet van schapen. Hele
mooie schapen in de Pyreneeën: zwarte kop, zwarte poten, mooi
gekrulde hoorns. Prachtig als een kudde verspreid grazende schapen
witzwarte toetsen aanbrengt op de groene berghellingen.
Opvallend veel rode wouwen ook in de Pyreneeën.
Ooievaarnesten vind je in Spanje her en der
langs de camino. In Carrión bv., Santo Domingo, Belorado… - om
maar enkele dorpen te noemen met ooievaarnesten- hoort het
geklepper bij het dagelijkse leven.
In Santo Domingo is de kip ook een prominent
dier: met s’n tweeën huizen ze immers in een luxueus hok in de
kerk. Dat heeft alles te maken met een van de meest bekende
Jacobuslegendes. In de tuin van de lokale refugio – een van de
oudste van de camino – wachten soortgenoten hun beurt af.
Ik ben een verwoed vogelkijker en heb dus 4,5
maand m’n kijker af en toe gemist. Af en toe want onderweg heb
je niet zo heel veel tijd om eender welke hobby te beoefenen.
Ik herinner me dat ik welgeteld één keer een pelgrim gezien heb
die naar de vogeltjes stond te kijken.
Neen, we hebben in Galicië geen wolven
ontmoet en evenmin beren. Al leven er daar nog wel enkele.
Af en toe kruisten we een mooie kudde bruine
koeien of schapen. De schapen in de Pyreneeën - met zwarte kop en
poten - waren de mooiste. Al staan die gebrilde schapen in de
Quercy (maar dat is dan wel Frankrijk) ook hoog genoteerd. Die
beesten hebben mooie bruine vlekken rond hun ogen.
Schapen kunnen ook… gevaarlijk zijn. Een
keer hebben we twee pelgrims ontmoet die gewoon letterlijk omver
gelopen waren door een kudde schapen! De man was er goed van
afgekomen, de vrouw was gekwetst aan de arm en moest naar de
dokter. De beesten hadden nochtans gewoon gedaan wat ze moesten
doen: luisteren naar de hond. Alleen had de herder zijn hond niet
onder controle. De man stond gewoon te praten met een
voorbijganger en had even geen aandacht voor z’n beesten.
Wegwijzers
Je
moet al erg verstrooid zijn om langs de Camino francés verloren
te lopen. Langs de hele route vind je de kwistig en slordig
aangebrachte gele verfstrepen en –pijlen. Bovendien hebben
Navarra, Rioja, Castilla-León, Galicië en vele gemeentebesturen
nog eens hun eigen bewegwijzeringssystemen, borden,
overzichtsborden, kilometerpalen en halve kilometerpalen… De
laatste in Galicië. Eerlijk gezegd, als pelgrim stel je het op
prijs dat je de laatste honderden kilometer elke halve kilometer
kan zien dat je weer vijfhonderd meter dichter bij het einddoel
bent. Alleen staan er de laatste twintig, dertig km geen paaltjes
meer. Verdwenen. Allicht omdat de camino er al zo dikwijls verlegd
is. De afstanden kloppen niet meer.
Nog
meer bewegwijzering: de vuiligheid. We hadden een beetje verwacht
dat pelgrims nogal propere mensen zouden zijn. Dat blijkt niét zo
te zijn. Of beter, een groot deel van de pelgrims zijn viezer en
vuiler dan de doorsnee wandelaar. En die is al geen voorbeeld van
ecologisch bewustzijn.
Wie
langs de camino wandelt heeft dus te maken met veel flesjes en
verpakkingen. Soms rond vuilnisbakken, meestal niet. Vuilnisbakken
die heel dikwijls niet leeggemaakt worden. Nog opvallender als
‘bewegwijzering’ zijn de papieren witte zakdoekjes en blaadjes
WC-papier. Daarmee is eigenlijk wit, en niet geel, dé kleur van
de camino-bewegwijzering. Ik heb in mijn boekenkast een klein
boekje met als titel: How to shit in the woods. Ik overweeg om
daarvan een bewerking te maken: How to shit along the camino. Het
shitgedrag van peregrinos en peregrinas is inderdaad ergerlijk.
Heilige Jacobus, grijp asjeblief in.
Wandelwegen
De historische Camino
francès… Stel je maar niet voor dat je voortdurend wandelt
langs rustige, kronkelende veld- en boswegen, karrensporen en
bergpaden, van dorp naar dorp. Soms, ja. Maar steeds minder. Al
langer zijn stukken van de oude bedevaartsweg uitgegroeid tot
belangrijke verkeersaders en bovendien is het noorden van Spanje
de jongste decennia in een economische stroomversnelling terecht
gekomen, mede dankzij vele Europese fondsen. Nieuwe wegen, nieuwe
industriegebieden, ruilverkavelingen… Met weer andere Europese
fondsen worden grote stukken van de camino
heraangelegd. Wellicht nog zo dicht mogelijk bij de historische
route maar veelal langs kaarsrechte wegen. Soms langs snelwegen,
soms langs verkeersluwe wegen. Kaarsrechte grindwegen met om de
zoveel meter een plataan die aan de pelgrims wat schaduw zou
moeten bezorgen. Er zijn alleszins pelgrims die het niet kan
schelen langs welke weg ze het graf van Jacobus bereiken, als ze
er maar komen. Maar de doorsnee pelgrim-wandelaar vindt dit soort
wegen een verschrikking.
Stilaan groeit de behoefte aan een reeks nieuwe gidsjes.
Gidsjes waarin belangrijke delen van de historische camino
behouden blijven (met belangrijke kerken, kruisen, kapellen
etc….) maar waarin ook rustige, al dan niet langere,
alternatieven worden aangereikt voor de meest onaangename
trajecten.
Slapen,
eten en drinken
Ja, in veel dorpen en steden langs de camino kan je
slapen in een hotel- of een hostalbed. En als je perse wil en
zoekt vind je wel ergens iemand die toelating geeft om je tentje
op te zetten.
Het gros van de pelgrims logeert evenwel in
albergues of refugios. Van de overheid, van parochies, van pelgrimsverenigingen,
van kloosters of van privé-personen.
In regel slaap je er in kamers met vijf, tien, twaalf
stapelbedden of in dormitorios
met nog veel meer stapelbedden (meestel twee, een enkele keer
drie bedden boven elkaar). Tientallen bedden, soms meer dan
honderd. Er hoort ook sanitair bij, dikwijls ook een leefruimte en
een keuken. Soms is de keuken gesloten, niet altijd om duidelijke
redenen. Allicht gaat het om de verdediging van plaatselijke
middenstandsbelanen.
Slapen in albergues
is goedkoop. Meestal betaal je vier à zes euro per man en per
nacht. Een enkele keer nog minder, drie euro of alleen maar een donativo. Je betaalt dan wat je wil. In de betere privé-refugio’s
betaal je negen of tien euro. Principieel kozen we als pelgrim
voor albergues. Het
hoort bij een tocht naar Santiago om veel van het dagelijkse
comfort en de luxe van thuis achter jou te laten. En te ervaren
dat het ook met veel minder kan. Ook al zal je wel al eens moeten
sakkeren omdat er deursloten stuk zijn, de matras wat plekken
vertoont of versleten is, er alleen nog koud water uit de douche
komt (vooral omdat de andere pelgrims te lang onder de douche
stonden) of omdat er motorzagen naast je slapen en je zelf
vergeten bent om bij de apotheker oordopjes te kopen…
In regel moet je in de meeste albergues vóór acht uur de deur uit zijn. En dat is soms vroeg.
Maar begrijpelijk, tenminste als het gaat om herbergen waar hospitaleros
álles zelf moeten doen, ook de kuis. Ook de vrijwillige hospitaleros
hebben immers recht op wat vrije tijd.
Drie keer maakten we in Spanje een uitzondering op de
albergue-regel: in Burgos, Leon en Santiago logeerden we in een
hotel. Af en toe heb je een goed bed en een goed bad nodig en wat
meer privacy, zeker als je maandenlang onderweg bent.
Het is bepaald niet zo dat je elke avond in een
herkenbaar, identiek logement slaapt, zoals dat bv. het geval is
met grote hotelketens. Elke refugio
is weer een andere ervaring. Om te beginnen omdat ze niet op
dezelfde manier beheerd worden. Essentieel is dat minstens één
persoon die goed gemotiveerd is, zich het welzijn van de pelgrims
aantrekt en bekommerd is om het reilen en zeilen van de refugio.
Helaas is zo’n man of vrouw niét altijd aanwezig. Althans niet
toen wij de camino francés liepen in oktober. Het kan gaan om gemeentepersoneel.
Alleen zijn er veel gemeentebedienden die niet veel meer doen dan
namen inschrijven in het register, centjes ontvangen, stempels
zetten in crédenciales
en bedden toewijzen. Of de vorige pelgrims de keuken netjes
opgeruimd hebben zal hun een zorg zijn en nog veel minder liggen
sommige wakker van het achtergelaten eten in de koelkast.
Meestal (niet altijd) is de motivatie van een
vrijwillige hospitalero een
stuk groter. Hospitaleros uit
alle landen: Zwitsers in Belorado, Belgen in Los Arcos, Amerikanen
in Bercianos, Fransen in Navarrete, Duitsers in Pamplona en
Mansilla, Engelsen in Rabanal, Japanners en Fransen in Najera,
Nederlanders in Roncesvalles… Niet dat álles er naar wens
verloopt. Dikwijls zijn de vrijwillige hospitaleros
immers afhankelijk van lokale overheden of vrijwilligers. Soms ook
niet, zoals in de goed draaiende, sfeervolle herberg van de
Confraternity of Saint James in Rabanal.
In Roncesvalles slaap je in een enorme en hoge
kloosterzaal van de augustijnen. De goede gang van zaken laten ze
over aan de Nederlanders en het dient gezegd, het draait er goed.
Ook al zijn er ‘maar’ vier douches voor 114 bedden (en niet
twee zoals in alle boekjes staat vermeld).
In Larrasoaña is er een kleine, gezellige herberg in
het voormalige gemeentehuis. Die is alleen snel vol en dan kom je
in een ander, overvol gebouw terecht waar alle gezelligheid zoek
is. Het sanitair (kleine douches) staat voor de deur in een
container…
Pamplona is verbroederd met Paderborn en de
Jakobsvrienden van Paderborn houden er een herberg open. Met
ontbijt. En met Deutsche
Grundlichkeit: wekken om 6 u.(!) en controle een kwartier
later: ben je wel al opgestaan? Gelukkig maar één keer gebeurd.
Al kwam de poetsvrouw in Cacabelos ook om half acht de kamer
binnen om er zeker van te zijn dat ze om acht uur kon starten.
Originele albergue
overigens in Cacabelos: kleine kamertjes met twee bedden en een
klapdeur, in een langgerekt hoefijzervormig gebouw rond een kerk.
Correct sanitair en overdekte luifels maar geen leefruimte, geen
keuken.
In Estella beheert een organisatie voor sociaal
zwakkeren de albergue.
In Villar de Mazarife runt landbouwer Jesús een prima albergue
met binnenplaats en tuin. En van Jesus mag je in zijn schuur
gratis aardappelen gaan halen. De beste die we in jaren mochten
eten.
Een van de mooist gelegen overheidsherbergen langs de camino
vind je in Ribadiso, op twee wandeldagen van Santiago.
Verschillende gebouwen langs een riviertje. Mooi verzorgd,
voldoende ruimte, voor sanitair moet je wel naar buiten maar dat
is alleen maar een probleempje in het koudere laagseizoen. Er is
een grote, moderne keuken maar die was in oktober gesloten, alle
potten en pannen waren opgeborgen. Naast de deur is er wel een
restaurant. Zowat het tegenovergestelde is de overheidsherberg in
Pedrouzo, deelgemeente van Arca, een dagetappe verder. In de jaren
negentig met veel bombarie ingewijd door Fraga Iribarne. Grote
leefruimte, grote keuken maar in deplorabele staat. Vuiligheid
onder de bedden… Maar om 4 u. komt de gemeentebediende wel langs
voor het register en de stempeltjes. Onder de herberg zijn er
zelfs negen paardenstallen. Licht en water functioneren er niet
meer. Ze zijn vuil en smerig …
De waarheid gebiedt om te vertellen dat er ook
gezondheidsproblemen zijn. In Carrión de los Condes en ook nog in
de herbergen vele dagen later waren er elke avond pelgrims met
zware maag- en darmproblemen. Overgeven, buikloop… Er
circuleerden hierover verschillende theorieën:
voedselvergiftiging, een virus, vervuild water… Vast staat dat
dit niet de eerste keer gebeurde. Ik vond op het internet nóg
verhalen over doodzieke pelgrims in Carrión en veel verder
richting Santiago. Niet alleen in de albergues,
maar ook langs de weg. De apotheker vertelde dat er ook nogal wat
Spanjaarden ziek waren. Een waterprobleem lijkt me het meest
waarschijnlijke scenario. Flessenwater dus, zéker vanaf Carrión.
Het lijkt me dat een waarschuwing vanwege overheden en
jacobusgenootschappen op z’n plaats is!
Tweede gezondheidsprobleem: les punaises de lit, bedwantsen
(Cimex lectularius).
Vrijwel verdwenen na de tweede wereldoorlog zijn ze nu op vele
fronten opnieuw bezig aan een opmars. Langs de camino,
in gîtes d’étapes en refugios, maar even goed in hotels in Amsterdam, Brussel of New
York. De 5-8 mm grote beestjes zuigen ’s nachts je bloed en
zorgen voor reeksen beten die erger jeuken dan muggenbeten. Ze
huizen in de spleten van de vloeren maar ook in rugzakken of
slaapzakken. En ze laten er hun eitjes achter.
Als ze opduiken kan de uitbater van de albergue
niet veel anders doen dan een dag sluiten en alles grondig laten
ontsmetten door een gespecialiseerde firma.
Niet iedereen is geliefd bij die beestjes. Wij hebben
wat niet geïdentificeerde beten gehad met daaropvolgende allergie
maar waarschijnlijk ging het niet om beten van wantsen.
Punaiseproblemen vermijd je ook niet door systematisch
te kiezen voor een hotel. We kennen een pelgrim die daar wel van
overtuigd was en in Burgos naar een hotel trok. ’s Anderendaags
telde ze ongeveer tweehonderd (!) beten op haar lichaam. Werk van
vlooien maar voor het grootste deel van bedwantsen. Ze is er net
niet gek van geworden.
Eten? Ofwel kook je zelf als er een keuken is. Zeker in
Galicië heb je soms prachtige keukens maar ligt de
overheidsrefugio wel eens ver buiten het dorp. Het is dan handig
als je een heel eenvoudige maaltijd uit je rugzak kan toveren.
Spagetti bv. met tomatensaus.
Het overgrote deel van de pelgrims kiest voor een
eenvoudige Menu peregrino
in een lokaal restaurant. Dat kost je 7, 8, 9 euro voor een
eenvoudig voorgerecht, een hoofdschotel en een dessert. Water en
wijn zijn altijd in de prijs inbegrepen.
Soms zorgt de albergue
zelf voor een ontbijt (al dan niet voor enkele euro of een donativo) en heel soms ook voor een avondmaal als er in het hele
dorp geen permanente mogelijkheid is om te gaan tafelen. Zo aten
wij in de parochiale albergue
van Bercianos del Real Camino met z’n allen ensalada
mixta, patatas riojanos en watermeloen, klaargemaakt door een
parochiale vrijwilliger en een Amerikaanse hospitalero.
We waren maar met een dozijn peregrinos.
Als er veel peregrinos zijn
moet je soms wel een handje toesteken.
Net zo min als Franse ontbijten zijn Spaanse ontbijten
te vergelijken met de Vlaamse. Koffie, dat wel, maar brood? Soms.
Soms wat toastjes, soms een croissant, soms alleen maar madeleine-
en andere koekjes. En boter. Rond tien uur, half elf eten
Spanjaarden opnieuw een hapje, croissant of brood en koffie. Veel
pelgrims vertrekken zonder ontbijt en spoeden zich naar de eerste
bar in het volgende dorp. Daar staat de koffie klaar en een
ontbijt…
Pelgrims?
Ja hoor, er zijn onder de Compostelagangers nog veel
‘echte’ pelgrims, pelgrims die om religieuze redenen op stap
zijn of die al wandelend zich toch bezinnen over diepere
levensvragen. Of dat de meerderheid is, dat is zeer de vraag. Er
zijn de sportieve stappers die snel en veel kilometer willen
stappen,, de mannen die een nieuw lief zoeken, de
cultuurhistorisch gemotiveerden, de pure toeristen… Niet te
vergeten: de revival van de camino
is ook een economisch gebeuren. Restaurants, hotels,
winkeliers, bars, ze leven er allemaal van. En soms dreigt dat de
essentie te overschaduwen. (Heel) soms tot ergernis van de pure
pelgrims. Je weet wel, de kooplui in de tempel… Ik herinner me
levendig Christian, een Duitse sportjournalist. Enkele keren
hebben we hem ontmoet, in Frankrijk en Spanje. Hoe dichter bij
Santiago, hoe meer de Camino
Francès voor hem een beproeving werd.
Met pelgrimeren had het voor hem niet veel meer te maken.
Christian was ook de man die thuis in München
vertrokken was met twee kilo stenen in zijn rugzak. Stenen en
steentjes van vrienden en familieleden om, samen met zijn steen,
te deponeren in de Galicische bergen, aan het Cruz de Ferro.
Stenen als symbolen voor allerlei lasten waarvan mensen zich
willen bevrijden. Dat gebeurt daar al eeuwen lang. Christian heeft
uiteindelijk zijn stenen niet aan het Cruz de Ferro gedeponeerd.
Hij had immers gehoord dat toeristen nu ook al die stenen meenemen.
Als souvenir.
Ach pelgrims… Je hebt ze in alle soorten. De meeste
wandelen of fietsen. Maar we hebben er ook ontmoet met een ezel,
met een muilezel en met een hond. We hebben ook een Nederlandse
Brabander ontmoet met fiets en hond. Alleen fietste hij nooit maar
liep hij altijd naast zijn fiets. De manier waarop zijn fietst
bepakt was maakte fietsen ook onmogelijk. Ondanks de fietslast
koos hij nooit voor makkelijke wegen. Ook al had hij de keuze
tussen een asfaltweg en een hobbelige veldweg of een bergpad, hij
sleurde z’n vehikel over de veldweg of het bergpad.
Wandelschoenen had hij niet. Versleten sandalen en geen kousen.
Ook al lag de ochtendtemperatuur in oktober soms dicht tegen het
vriespunt.
We troffen langs de camino pelgrims uit bijna alle
Europese landen, van Oekraïne tot Noorwegen, van Portugal tot
Hongarije. En verder uit de VS, Canada, Mexico, Zuid-Afrika, Zuid-Korea,
Japan… Wij vertrokken in Mortsel, anderen liepen op
wandelschoenen naar Santiago vanuit Amsterdam, München, Praag…
Eén pelgrim, een Fransman was al een jaar onderweg. Hij vertrok
in de Sinaïwoestijn en liep door Jordanië, Syrië, Turkije enz.
naar zijn thuisland en tenslotte naar Spanje. Goed voor
achtduizend kilometer. Met een kar. Geen Carrix maar een Chariot-fietskar
die hij als wandelkar gebruikte. Hoe kan je anders in de woestijn
twintig liter water meezeulen….
Voor veel pelgrims is de camino een bijna jaarlijks weerkerend ritueel. Vooral omdat velen
niet de tijd hebben om de camino
in één keer uit te lopen. Voor anderen omdat ze het
Santiago-gebeuren, het samen optrekken met andere pelgrims niet
meer kunnen missen.
Hooguit een tiental wandelende pelgrims kruisten ons
pad in de tegenovergestelde richting, op weg naar huis. Er
schijnen ook enkelingen rond te lopen die blijven wandelen. Thuis
voelen ze zich niet meer thuis, hun nieuwe thuis zijn de caminos…
De
heilige kerk
Onze moeder de heilige kerk is vanzelfsprekend langs de
camino vanzelfsprekend duidelijk aanwezig. In de eerste plaats
met talrijke kloosters en kerken, al dan niet overdadig versierd
met veel uit Zuid-Amerika weggesleept goud en zilver. De dramatiek
van het lijden van Christus, van de goede week, is nooit ver weg
in deze kerken. Minstens één Mater Dolorasa, Maria’s met zeven
zwaarden door het hart, Christusfiguren met veel wonden en bloed,
al dan niet opgeborgen in glazen doodskisten. Heel dikwijls
ontmoet je er ook Santiago, apostel Jacobus Maior. In nogal wat
kerken zijn er ’s avonds pelgrimsmissen met een speciale
zegening van de pelgrims. In Roncesvalles, bij de augustijnen, is
de mis annex zegening een indrukwekkend gebeuren waarbij drie
augustijnen (bijna het hele klooster) voorgaat in de dienst.
Merkwaardig is dat op sommige plaatsen heel veel
pelgrims die missen en
zegeningen bijwonen. In Roncesvalles was dat de grote meerderheid
van de pelgrims. Wat ook hun reismotieven zijn. In León volgt de
zegening bij de benedictinessen na de completen van de
benedictinessen. Heel sfeervol want het klooster heeft daar een
hele reeks goeie stemmen. Daar was de opkomst dan maar magertjes.
Geen zegening, want zegenen, dat mag moeder abdis niet. Na de
dienst is er wel een toespraakje door de abdis, vertaald in andere
talen door een ander zuster. En een pelgrimsgebed, gevolgd door
het zingen van het Salve Regina. Een populair lied in vele
kloosters langs de St.-Jacobsweg.
Heel apart is de plechtigheid in San Juan de Ortega –
niet veel meer dan enkele huizen rond een grote kerk waar San Juan
de Ortega begraven ligt. De heilige was in de middeleeuwen een van
de grote promotoren van de camino
en staat bekend als wegen- en bruggenbouwer. De mis en de
zegening rond zijn graftombe stelt niet zo veel voor maar wél
heel apart is het uurtje na de mis. De 81-jarige pastoor biedt dan
aan de aanwezige pelgrims soep aan. Goeie looksoep. De man doet
dat al meer dan dertig jaar, vrijwel élke dag… Een hartelijke
man die in San Juan het aantal pelgrims in enkele decennia enorm
heeft zien toenemen. Hij kan – in ’t Spaans – boeiend
vertellen over hun motieven, over Brazilianen die hun dochters
naar de camino sturen om
een man te vinden, over de invloed van schrijvers als Paulo Coelho
en Shirly McLean.
In Rabanal del camino is er een kleine priorij van de
benedictijnen – San Salvador del Monte Irago - naast de Engelse refugio.
Je kan er logeren, maar dan wel minimum twee nachten. In de
dorpskerk zingen twee monniken ’s avonds wondermooi de vespers.
Ze zegenen ook de pelgrims maar enkele minuten praten met de
aanwezigen kan er niet af, de monniken verdwijnen meteen richting
klooster. De priorij hangt af van
de Duitse abdij van Sankt Ottilien.
Nog meer benedictijnen. De gigantische abdij van Samos
heeft een geschiedenis die teruggaat tot de zesde eeuw en is
daarmee een van de oudste kloosters van West-Europa. Wel
grotendeels niet meer origineel want in de jaren vijftig – toen
produceerden ze hier nog geestrijke dranken – is een vat alcohol
ontploft en brandde alles af. Je kan - in ’t Spaans – een
geleid bezoek meemaken en je kan ook naar de vespers annex
zegening. De abdij heeft een eigen refugio,
strikt gescheiden van de rest van ’t klooster. Bedden en
sanitair, maar geen leefruimte of keuken. In de late namiddag
brengt een man een blitzbezoek om de credencials te stempelen.
Kunnen de twintig benedictijnen in dit gigantisch complex nu niks
meer doen voor de caminostappers? Er is daar toch wel logement
denkbaar dat wat meer aansluit bij het abdijleven…
De clarissen bieden her en der ook logies aan. In
Spanje in Carrión de los Condes. Mooi complex, we hebben er
geslapen. De keuken is niet veel groter dan een microgolfoventje
en de kloosterkerk bleef voor pelgrims gesloten. Tenzij voor de
mis ’s anderendaags, op een uur dat een normale pelgrim al op
stap is.
Er waren langs de camino nog meer missen en
gebedsdiensten voor pelgrims. Allemaal hebben we ze niet bezocht.
Een dagelijks wandelende mens is af en toe ook te moe om ’s
avonds aan om het even wat nog deel te nemen. Twee keer liepen we
in een kerk ook de pastoor tegen ’t lijf. Een van de twee deed
niets liever dan stempeltjes zetten. Je vraagt je dan toch af of
die man niks nuttiger te doen heeft. De andere was van ’t zelfde
type en hij begon bovendien nog ongevraagd aan een privé-zegening.
Een absoluut hoogtepunt voor alle pelgrims is
natuurlijk de dagelijkse pelgrimsmis om 12 u. in de kathedraal van
Santiago de Compostela. Altijd veel volk. Veel blije en vermoeide
pelgrims. Gelovig of niet, ze willen het allemaal meemaken en ze
zitten er allemaal met veel emoties en gemengde gevoelens. Aan dé
we is immers een einde gekomen. Pelgrims vallen er in elkaars
armen, ontmoeten weer eens pelgrims die ze al een hele tijd niet
meer zagen. Velen blijven nog een paar dagen en gaan ook de
volgende dagen naar de mis, al was het maar om te zien of niet
weer nog oude bekenden opduiken. Of om toch maar het spektakel met
de botafumeiro te kunnen
meemaken, het reusachtige wierookvat dat door acht mannen in
beweging wordt gebracht en van de ene zijbeuk naar de andere
slingert. Dat kan je niet elke dag meemaken, zelfs niet elke
zondag. Wel op grote feestdagen. Wij arriveerden ’s zondags.
Geen botafumeiro. Liepen
dinsdag nog heel even de kerk binnen. En warempel, die dag was het
wel wierookdag.
En dat je in de kathedraal het al dan niet echte graf
van Jacobus maior gaat groeten en dat je zijn zilveren buste
omarmt, dat hoort er natuurlijk ook bij.
Als
ik het opnieuw zou doen?
De camino is
en blijft een bijzonder boeiende belevenis. We zijn nog altijd
heel blij dat we deze droom hebben kunnen realiseren. We zijn er
ook fier op Als we
opnieuw zouden beginnen zouden we wellicht een kortere route
kiezen. 4,5 maanden onderweg is lang. Het was soms echt wel
doorbijten.
Ik zou de tocht ook nóg beter voorbereiden. Voor de
minder interessante trajecten van de Camino
Francès zou ik alternatieve routes zoeken, ook al zou de
pelgrimstocht daardoor misschien weer ietsje langer worden. Dat
heeft niet alleen met de saaie, nieuwe trajecten, met
autosnelwegen en industriezones te maken, maar ook met de behoefte
om af en toe een paar dagen in alle rust te kunnen wandelen, weg
van de grote stroom pelgrims. Veel contacten, veel plezier met
‘pelgrims’ uit heel veel landen is belangrijk. Maar graag ook
af en toe de stilte, de eenzaamheid ‘van de woestijn’. Het zou
best kunnen dat ik het zoeken naar die alternatieven dan zou
combineren met het zoeken naar meer abdijen en kloosters om te
overnachten of er zelfs meer dan één nacht te blijven.
Wellicht zou ik ook kiezen voor iets meer rustdagen.
Echte rustdagen, in dorpen waar niet veel te beleven valt.
Rustdagen in grotere cultuurcentra als Le Puy of León, maar ook
kleinere als Vézelay of Conques, zijn eigenlijk geen echte
rustdagen. De verleiding om daar kerken, kathedralen en musea te
bezoeken is veel te groot.
Onze
etappeplaatsen
Roncesvalles, Larrasoaña,
Pamplona, Puenta la Reina, Estella, Los Arcos, Viana, Navarrete,
Najera, Santo Domingo de la Calzada, Belorado, San Juan de
Ortega, Burgos, Hornillos del Camino, Castrojeriz, Frómista,
Carrión de los Condes, Terradillos de Templarios, Bercianos del
Real Camino, Mansilla de las Mulas, León, Villar de Mazarife,
Astorga, Rabanal del Camino, Molinaseca, Cacabelos, Vega de
Valcarce, Fonfría, Samos, Portomarín, Palas de Rei, Ribadiso,
Pedrouzo, Santiago de Compostela.
Uitrusting
Schoenen
Een moeilijk verhaal. De
wandelschoenen waarmee ik thuis vertrok waren na tweeduizend
kilometer – in St.-Jean-Pied-de-Port – versleten. Stukken
van beide hielen waren helemaal niet meer met rubber bedekt. Ik
had al lang een schoenmaker aan het werk moeten zetten. Het is
niet helemaal een goed excuus maar zoveel schoenmakers met een
express-service zijn er langs de Franse route niet te vinden.
Uiteindelijk besluit ik in Pamplona – zonder advies van een
schoenmaker – dat m’n schoenen niet meer te herstellen zijn.
Ik gooi de oude weg en koop een paar nieuwe schoenen. Altijd een
risico en bovendien gebeurt wat nooit had mogen gebeuren: ik
koop ze een halve maat te klein. Brigit was er niet bij. Meestal
tempert zij mijn ongeduld en voorkomt ze dat ik te snel vind dat
schoenen of andere kleding goed bevonden worden. ‘Ik heb het
nadien moeten horen! Ik had toch de binnenzool van mijn oude
schoenen op de binnenzool van de nieuwe moeten leggen! Dan had
ik wel gezien dat de maat fout was…’ En ja, ik wist
inderdaad dat ik dit had moeten doen…
Zeventien dagen – tot in
León - heb ik mijn al door spierpijnen geteisterde voeten extra
gepijnigd met deze nieuwe schoenen. In León heb ik me opnieuw
wandelschoenen gekocht. Deze keer de juiste. De andere heb ik
achtergelaten bij de benedictinessen. Bestemd voor een pelgrim
met versleten schoenen en een lege portemonnee.
De járen oude
wandelschoenen van Brigit deden het tijdens onze camino
uitstekend. Ze was wel zo slim om in Pamplona bij een
schoenmaker aan te kloppen. De man vond het een hele eer om de
schoenen van een peregrina te herstellen en lapte de twee hielen
op.
Kar en rugzak
Zoals eerder gemeld hebben
we het Spaanse deel van onze camino niet gelopen met onze Carrix.
De kar, de tent en de matjes heeft zoon Bert mee naar huis
genomen. De reden?
In de eerste plaats omdat
er in langs de camino francès een groot aanbod is aan heel
goedkope refugio’s en campings er vrijwel onbestaande zijn.
Wild kamperen is in Spanje bovendien veel minder vanzelfsprekend
dan in Frankrijk. Als we dat al zouden willen… Ik wel, maar
Brigit wil ’s ochtends weten waar ze ’s avonds zal slapen.
En daar heeft Ludo zich al enkele weken na het vertrek bij
neergelegd.
Dat we door Frankrijk met
de kar trokken, daar heb ik geen spijt van. Het was best een
boeiende ervaring. Vraag is alleen of er nog een andere, nog
betere piste is. Investeren in nieuwe uitrusting maar dan wel de
állerlichtste? Een lichtere tent, lichtere slaapzakken,
lichtere matjes, nog minder kleding, minder proviant in de
rugzak. En dan wordt dat karretje wellicht overbodig.
Nog een andere mogelijkheid
demonstreerde de Fransman die al één jaar en achtduizend
kilometer onderweg was (vertrokken in de Sinaïwoestijn): een
Chariot-fietskar die je ook als wandelkar kan gebruiken. Ze
trekt heel makkelijk maar heeft één groot nadeel: de breedte.
Smalle paden volgen is uitgesloten.
In Spanje ruilde ik m’n
kleine rugzak voor m’n grote trekkingrugzak. Ruim genoeg want
kleding hadden we toen nog nauwelijks bij ons.
Brigit die vrijwel nooit
met een grote rugzak stapte heeft niets dan lof voor haar
Gregory-rugzak. Die paste als gegoten. Nooit had ze problemen
met het dragen van die rugzak. Dat was een hele opluchting. De
vraag vooraf was immers of een rugoperatie van lang geleden geen
problemen zou veroorzaken. Het gewicht van de rugzak was wel
beperkt tot een kilo of acht. Een van de redenen waarom we thuis
vertrokken zijn met een karretje.
Fototoestel
We hebben ongetwijfeld
nogal wat mooie foto’s maar we hebben ook honderden slechte
foto’s van de Picture Cards gewist. De kleine digitale
cameraatjes hebben het grote nadeel dat ze geen zoeker hebben.
Wat je in die glazen plaat te zien krijgt is allesbehalve
duidelijk. Als je al wat te zien krijgt want heel dikwijls krijg
je alleen een zelfportret…
Je kan dat alleen maar
oplossen door een grote reflexcamera mee te nemen… Veel betere
foto’s maar vooral een veel groter volume…
M’n broer loste dat op
door de cameratas te bevestigen op de rugzak van z’n vrouw. En
dat is nog niet zo’n slecht idee.
Kleding
We hadden in Spanje nog
nauwelijks kleding bij. Twee broeken of een broek en een short,
een hemdje voor ’s avonds en twee of drie T-shirts, voor het
overgrote deel van het Nieuw-Zeelandse merk Icebreaker.
Eigenlijk merino-wollen shirts. Ze drogen een héél klein
beetje trager dan de kunststoffen shirts maar ze hebben vooral
het grote voordeel dat ze minder stinken. Je kan er makkelijk
enkele dagen mee rond lopen zonder dat anderen klagen over
stank.
Tuesday, August 07, 2007 4:15 PM
Subject: compostela
Beste allemaal,
Ja, we zijn nog altijd op stap. Min of meer volgens het geplande
routeschema. Twee keer zijn we drie dagen gestopt om bij te komen,
vandaag rusten we één dag uit in Cluny waar we ook een heel
klein beetje cultuurhistorie meepikken, samen met zoon Bert die
even is overgekomen uit het nabije Zwitserland. Ook de andere
zoon, Hans, kwam al enkele keren langs, uiteraard met vrouw Inge
en kleinzoon Wannes. Dat was in de Morvan, voor ons nog
altijd een van de meest indrukwekkende streken in Bourgogne. Ja,
wijngaarden hebben we natuurlijk ook doorkruist, in Champagne en
Bourgogne. En we hebben al een beetje wijn gedronken. al blijven
we in dat soort dingen vrij bescheiden. Naar Compostela lopen is
nu eenmaal niet zomaar een toeristische uitstap. Een van de
hoogtepunten in Bourgogne was tot nu toe ongetwijfeld Vézelay.
Ook daar bleven we een dagje hangen. Niet zozeer voor de
winkeltjes in het dorp dat niet veel groter is dan de ene
hoofdstraat, wel voor de basiliek - architecturaal hoogtepunt - en
de indrukwekkende polyfonie van de Frères et Soeurs de Jérusalem.
De problemen met de achillespees zijn nog niet helemaal
achter de rug, wel bijna. Dat heeft ook te maken met het
wondermiddel mij aangereikt door een pelgrim uit Hoei, op
stap met een ezelin als bagagedrager.
We hebben de man al drie keer gezien. De eerste keer zat Ludo
met peesproblemen. De tweede keer de pelgrim uit Hoei én
zijn ezelin. Allebei zijn ze uiteindelijk genezen door het
aanbrengen van een verband met 'argile vert', groene klei. En dat
probeer ik nu ook.
Morgen beginnen we aan de Jakobsroute van Cluny naar Le Puy.
Ook dat stuk is veel belovend, onder meer met tal van romaanse
kerkjes. Elke dag lopen we ongeveer twintig kilometer, soms veel
meer, zelden minder. Allebei met een niet zoveel wegende rugzak
maar wel nog met een Carrixkarretje achter Ludo. Al bij al is dat
wel ietsje zwaarder dan aanvankelijk gedacht, niet op de vlakke en
dalende stukken, wel als het flink bergop gaat of het GR-pad sterk
geaccidenteerd is of erg slijkerig. Maar de GR volgen is voor ons
nooit een must geweest. Sommige stukken vervangen we door
makkelijk lopende rustige gemeente- of departementele wegen.
Meer dan eens hebben we al postcollis gevuld met allerlei bagage.
De laatste keer ook met alle kookspullen. Sindsdien gaan we ofwel
iets simpels eten of eten we brood met wel een vrij ruime keuze
aan kaas, worst etc. Slapen doen we nog altijd veel in de tent
maar ook in gîtes d'étape, chambres d'hôtes, hotelletjes,
stoffige parochiezaaltjes, een keer zelfs in het gemeentehuis en
morgen logeren we voor de tweede keer bij nonnetjes.
Veel dank voor alle aanmoedigingen.
Heel veel groetjes,
Brigit en Ludo
PS Voor wie ons wat wil toesturen: rond 21 augustus zijn we
in Le Puy. Adres: Van Lint Ludo, Poste Restante 43000 Le
Puy en Velay.
Saturday, July 14, 2007 9:49 PM
Beste
allemaal,
Een
héél kort mailtje
om te melden dat ons alles vrij goed gaat. We zitten wel al een achttal
dagen achter
op het geplande schema. Dat heeft niets te maken met de
knieproblemen van Brigit, wel met achillespees-
en andere peesproblemen van Ludo. En, erger, met een
onderbreking om zus Bea ten grave
te dragen.
Maar
we hebben al véél genoten van de reis. Heel leuke mensen ontmoet,
pelgrims en andere. Gelogeerd bij vrienden, geslapen in refuges,
chambres d’hôtes,
hotelletjes, cafés, goeie en heel
slechte campings, privé-tuinen, abdijen, logieshuizen van
bisdommen en dekenijen, jeugdherbergen, b&b’s, … boeiend
(en heel leerzaam voor al wie in het toerisme werkzaam is). Veel
hebben we achter ons gelaten, we hebben geleerd om blij te zijn
met heel eenvoudige dingen: brood en kaas om te eten, een bed om
te slapen, droge kousen en schoenen, enkele uren zon en wind om
een shirt of een broek te drogen, opgehangen aan een rugzak of
het karretje. Eenvoudig was dat niet altijd. Tot voor enkele
dagen hadden we vooral te maken met regen en regen en regen. En
wegen en paden kapot gereden door boswwerkers,
4x4-rijders, motards en quadfanaten
– met de steun van gemeentebesturen en waters-en-bossen-ingenieurs
die het niet de moeite vonden om (op een enkele uitzondering na)
alle verkeer te verbieden.
We
mogen zeggen dat we ondertussen experts geworden zijn in het
omgaan met 40-, 50 cm m diepe plassen,
onbegaanbare wegen en kubieke meters slijk. Niet altijd
eenvoudig want een deel van onze bagage transporteren we in een eenwielig
Carrix-karretje (www.carrix.ch).
Een prima voertuig maar niet echt berekend op eel
veel slijk.
Morgen
worden we terug afgezet waar we opgepikt werden om voor goed
afscheid te nemen van Bea. Ergens in
de omgeving van het Lac du Der, je
weet wel dat meer waar in herfst en lente duizenden kraanvogels
neerstrijken.
Dat
het jullie allemaal goed gaat. We zien elkaar in november of
december.
Brigit
en Ludo
Sunday, September 23, 2007 10:55 AM
Beste allemaal,
St. Jean-Pied-de-Port, 23.9. We staan aan de voet van de Pyreneeën
maar nemen eerst een dag rust voor we aan de oversteek beginnen.
Samen met (schoon)broer Jef en schoonzus Tinne die een stukje van
de camino mee zullen lopen.
Een rustdag wil sowieso zeggen: afscheid nemen van al wie geen
rustdag neemt. En in St.-Jean-Pied-de-Port ook van de velen die
hier dit jaar stoppen en volgend jaar nog een (laatste) stuk
zullen lopen.
De camino heeft veel te maken met afscheid nemen, zeker als je
voor lange tijd onderweg bent. Afscheid nemen: destijds, in juni,
van het thuisfront. Dat was ook niet zo makkelijk vooral omdat we
een kleinzoon van enkele maanden hebben. Vooral die kleinzoon
missen we toch soms wel erg veel. Maar andere
grootmoeders-pelgrims hebben Brigit daar erg goed in gesteund.
Eentje is een echte vriendin geworden.
De vele ontmoetingen met andere pelgrims uit vele landen zijn echt
een bijzonder belangrijk onderdeel van de camino. We verwachten
dat de ontmoetingen in Spanje nog een veel internationaler
karakter krijgen.
Pelgrims zijn er in vele soorten. Sommigen starten helemaal niet
als pelgrim maar gewoon als fietser of wandelaar. Toch zijn velen
van hen al snel ook met serieuze levensvragen, spirituele
problemen en religieuze vragen bezig Niet dat er over dat soort
dingen lang en zwaar gedebateerd wordt, maar je merkt gewoon
aan zoveel kleine dingen en opmerkingen dat ze daarmee bezig zijn.
De echte pelgrim gedraagt zich niet als een toerist. Hij is niet
bezig met eisen stellen en veel consumeren. Hij apprecieert ook
veel meer de gewone dingen die hij krijgt, hij is een stuk
dankbaarder dan de gewone toerist. Zeker tegenover de vele
vrijwilligers in bv centres d'accueil, maar ook tegenover
uitbaters van gîtes, althans de echt gemotiveerde. En die zijn er
wel degelijk. Mensen die proberen - een beetje - hun boterham te
verdienen (dat is met toeristen veel makkelijker dan met pelgrims!)
maar die toch ook in grote mate bekommerd zijn om hun gasten.
De meeste pelgrims lopen gemiddeld zo'n 25 km per dag en houden
zich voor 90 procent aan de GR/caminoroutes. Soms wordt er al eens
een niet zonvolle beklimming vermeden of een al te grote bocht
afgesneden. Enkele willen zo snel mogelijk in Santiago zijn en
lopen 35, 40, 50 km per dag. Een enkeling kiest altijd voor de
kortste weg en loopt langs départementales. Saai en dikwijls ook
gevaarlijk.
De voorbije dagen waren nièt saai. Het landschap in de Béarn en
Baskenland is mooi golvend en biedt af en toe heel fraaie
uitzichten op de Pyreneeën. Alles wordt langzamer minder Frans,
opschriften zijn tweetalig Frans-Baskisch (en indien niet,
overschilderd, zoals in België), de Basken hebben hun eigen
kruisen, hun eigen bouwstijl (rood-wit), kortom, de cultuur wordt
helemaal anders.
Net voor de Béarn was het wel enkele dagen erg saai in de Gers:
veel lange wegen en altijd maar maïs, maïs en maïs.
Ook in Moissac hebben we een dag rust genomen in de Carmel. Al
lang geen karmelietenklooster meer maar een gemeentelijk
logiescentrum gerund door veel vrijwilligers. Moissac is zonder
meer een topper, omwille van de romaanse kloostergang van de
voormalige benediktijnerabdij. En omwille van de abdijkerk met
weer een indrukwekkend tympaan. Helaas heeft een cafébaas nu de
toelating gekregen om zijn parasols tot vlakbij de kerk te
plaatsen waardoor er geen vrij zicht meer is op de kerkdeur.
Condom, Air sur Adour, Eauze, Lectoure, het vestingstadje
Navarrenx, aan erfgoed geen gebrek. Ook veel prachtige kleinoden.
Ik noem er enkele:
- het hospitaalkerkje van de ridders van de Orde van Malta nabij
de gîte Le Haget in Cravancères
- de romaanse kapel van Harambelz nabij Ostabat, ook al van de
Maltezers
- de kapel van Caubin nabij Arthez de Béarn (van de
hospitaalridders van St Jan)
- maar bv ook de St.Germainekapel tussen Marsolan en Condom, een
mooi kleinood, gerestaureerd door de buurtgemeenschap...
Sommige dorpen zijn prachtig maar zielloos geworden door het alles
dominerende toerisme. Het mooiste voorbeeld: St. Cirq Lapopie.
Probeer er geen kruidenier te vinden. Een dorpsleven is er niet
meer. Neen, geef ons dan maar bv Lauzerte of Auvilar...
We eten nog altijd veel fruit. Fruit uit veel te dure kleine épiceries,
maar ook erg veel fruit dat we langs de weg plukken. Momenteel
zijn dat vooral vijgen (heerlijk) plus noten en kastanjes. Ook nog
veel bramen en af en toe een appel. Destijds zijn we met de
krieken begonnen, later kwamen de frambozen, de bosbessen, de
appelen, de peren en vooral de pruimen. Frankrijk is vooral een
land van pruimen, van walnoten én van kweeperen (maar de laatste
kunnen we natuurlijk niet eten).
Slapen doen we sinds kort niet meer in de tent. Die is met zoon
Bert (onlangs op bezoek) terug naar huis gestuurd. In Spanje
hebben we de tent immers niet nodig, wegens heel veel refugios.
Ook de matjes en de Carrix-kar zijn dus terug naar Mortsel. We
lopen nu allebei met de rugzak en slapen bijna altijd in gîtes d'étape,
van de gemeente, of privé, al dan niet in een ferme. Vooral de gîtes
van de keten 'Les Haltes vers Compostelle' zijn uitstekend. We
koken wel dikwijls 's avonds nog zelf onze pasta en zijn daarmee
eigenlijk een uitzondering. De meeste pelgrims kiezen voor half
pension De keukens zijn meestal vrij goed tot uitstekend
uigerust. Soms slecht en dat wil alleen maar zeggen: kook liever
niet zelf en ga bij onze middenstand eten. In Navarrenx bv.
Overigens ook niet de properste gîte. Hier en daar zijn er wel
problemen met bedvlooien, punaises de lit. De zorgen voor rijen
erg jeukende beten. Gelukkig zijn die ons tot nu toe bespaard
gebleven.
Problemen zijn er nog altijd met de achillespees van Ludo, maar
dat is een constante geworden. Problemen zijn er eigenlijk ook met
de schoenen. We hebben dringend een schoenmaker nodig maar die
hebben geen tijd voor dringende klussen, of willen gewoon niet.
Die van St. Jean Pied doet het alleen voor de dorpelingen.... Met
afgesleten hielen gaan we dan morgen maar de berg over. Hopelijk
kunnen we in Pamplona terecht.
Het kwartier internettijd dat ik in dit Centre d'Accueil kreeg is
lang voorbij. Ik ga stoppen. Alleen nog een mooi beeld van een
Portugese pélérine, ca. zestig jaar, gisteren:
korte nylonkousen, een supermarktzak en een rozenkrans in de ene
hand, de rugzak soms op de rug maar ter afwisseling ook dikwijls
horizontaal op haar hoofd....
Veel groetjes van Brigit en Ludo en dank voor de mailtjes van het
thuisfront, dat doet altijd plezier.
BERICHT
VAN LUDO VAN LINT 16.7.2007
Beste
allemaal,
Een
héél kort mailtje om te melden dat ons alles vrij goed gaat. We
zitten wel al een achttal
dagen achter op het geplande schema. Dat heeft niets te
maken met de knieproblemen van Brigit, wel met achillespees- en
andere peesproblemen van Ludo. En, erger, met een onderbreking om
zus Bea ten grave te dragen.
Maar
we hebben al véél genoten van de reis. Heel leuke mensen ontmoet,
pelgrims en andere. Gelogeerd bij vrienden, geslapen in refuges,
chambres d’hôtes, hotelletjes, cafés, goeie en heel slechte
campings, privé-tuinen, abdijen, logieshuizen van bisdommen en
dekenijen, jeugdherbergen, b&b’s, … boeiend (en heel
leerzaam voor al wie in het toerisme werkzaam is). Veel hebben we
achter ons gelaten, we hebben geleerd om blij te zijn met heel
eenvoudige dingen: brood en kaas om te eten, een bed om te slapen,
droge kousen en schoenen, enkele uren zon en wind om een shirt of
een broek te drogen, opgehangen aan een rugzak of het karretje.
Eenvoudig was dat niet altijd. Tot voor enkele dagen hadden we
vooral te maken met regen en regen en regen. En wegen en paden
kapot gereden door boswwerkers, 4x4-rijders, motards en
quadfanaten – met de steun van gemeentebesturen en waters-en-bossen-ingenieurs
die het niet de moeite vonden om (op een enkele uitzondering na)
alle verkeer te verbieden.
We
mogen zeggen dat we ondertussen experts geworden zijn in het
omgaan met 40-, 50 cm m diepe plassen, onbegaanbare wegen en
kubieke meters slijk. Niet altijd eenvoudig want een deel van onze
bagage transporteren we in een eenwielig Carrix-karretje (www.carrix.ch).
Een prima voertuig maar niet echt berekend op eel veel slijk.
Morgen
worden we terug afgezet waar we opgepikt werden om voor goed
afscheid te nemen van Bea. Ergens in de omgeving van het Lac du
Der, je weet wel dat meer waar in herfst en lente duizenden
kraanvogels neerstrijken.
Dat
het jullie allemaal goed gaat. We zien elkaar in november of
december.
Brigit
en Ludo
Naar
het graf van Jacobus
Niet
dat het graf van de apostel zo belangrijk is. De man ligt allicht
niet eens begraven in Compostela. Maar het gegeven dat al eeuwen
lang mensen pelgrimeren naar Santiago de Compostela is toch wel
intrigerend. Nog meer intrigerend is het gegeven dat
belangstelling de voorbije decennia wel heel sterk de hoogte in
gaat. Allemaal pelgrims? Neen natuurlijk niet, heel veel
toeristen. Maar in grote getale ook mensen die om een of andere
diepere motivatie op stap gaan naar het noordwesten van Spanje.
Een veelheid van motivaties, en ook dat maakt het bijzonder
boeiend. Spirituele, religieuze motieven, sportieve motieven, de
hoop op boeiende ontmoetingen,
de ultieme uitdaging,
de confrontatie met de natuur en met meer dan boeiende
hoofdstukken uit onze cultuurhistorie. Veelal ook mensen voor wie
de lange weg belangrijker is dan het einddoel.
Velen
zien het als een terugblik op de voorbije jaren, als een
bezinningsperiode ook om uit te maken wat in een volgende
levensfase belangrijk kan en zal zijn. En zo is dat ook met mij
– een jonge bruggepensioneerde – het geval. ‘Ik geloof je
niet’ zei onlangs iemand me, ‘ik ben ervan overtuigd dat je zo
lang op reis gaat omdat je heel veel boete moet doen voor heel
veel zware zonden.’ Ik heb hem geantwoord dat hij ongetwijfeld
een nog veel langere trip naar Compostela zal moeten maken. Waar
hij op antwoordde met een grijnslach. Ontkennen deed hij niet.
Tentje
Je
kan je op weg naar Santiago met veel comfort omringen en logeren
in kwaliteitshotels en schitterende chambres d’hôtes met ’s
avonds culinaire hoogstandjes overgoten met de beste wijnen. Ik
kan er ook van genieten maar naar mijn gevoelen verwijdert dat
comfort je alleen maar verder van de diepere motivatie. Neen,
bij een Santiagotocht hoort het dat je afstand neemt van
het vanzelfsprekend geworden comfort. Dat je zoveel mogelijk los
laat, dat je achter laat, dat je ervaart dat het ook met weinig
kan, in alle eenvoud.
Dat
we ook een tentje meenemen heeft hier ook wat mee te maken. Ten
dele. Ik heb – samen met m’n vrouw – gekozen voor een
maandenlange tocht. Tijd heb ik, waarom zou het dan allemaal zo
snel mogelijk moeten gaan. Al te veel Compostelapelgrims willen
langs de kortste route in zo weinig mogelijk dagen naar Compostela.
Met ei zo na dezelfde haast als elke dag. Haast ook om toch maar
zo vroeg mogelijk in de gîte,
auberge, of refugio
aan te komen. Kwestie van zéker een bed te hebben. Met dat tentje
hoop ik daaraan een beetje te kunnen ontsnappen. Ik wil niét zo
snel mogelijk in de volgende etappeplaats toekomen, ik wil
geplande etappes ook kunnen inkorten, ik wil tijd hebben om van
landschap en natuur te genieten, ik wil tijd hebben om mooi
historisch erfgoed te bezoeken, ik wil tijd hebben om rustig met
pelgrims en anderen
te kunnen praten.
De
keuze voor dat tentje heeft ook een budgettaire reden. We
vertrekken op 15 juni en komen niet voor Allerheiligen terug. 135
dagen hotel of chambre d’hôte, daar heb ik geen spaarcenten
voor.
Kar
De
andere kant van de medaille is natuurlijk het gewicht: tentje,
kookspullen, eten, matjes, slaapzakken… Met kampeerspullen kom
je makkelijk aan een rugzak van achttien kilogram in plaats van de
wenselijke tien kilogram. En als dan ook nog een knie wat slijtage
vertoont en een andere knie (van m’n vrouw) nog niet zo lang
geleden hersteld is van een ongeval en een operatie…Wat doe je
dan? Als je dan ook nog weet dat m’n vrouw ooit aan haar rug
geopereerd is en geen al te zware rugzak mag dragen… Wat doe je
dan?
Na
veel wikken en wegen kwamen we uit bij een bagagekar als
oplossing. Carrix heet ze. Een tweewielige kar die met twee
karabiners aan een borstgordel hangt. Twintig kilo kan erin maar
het voelt aan alsof je maar enkele kilo’s trekt. Eigenlijk een
stevige reiszak op een draagstel met een groot en een klein
wieltje eronder. Dat kleintje moet helpen om ook meer
geaccidenteerd terrein te overwinnen. Desnoods kan je alles ook
even op de rug dragen, want de zak heeft ook twee schouderriemen.
Het draagstel is snel te (de)monteren en op te bergen in een zak.
Neen, je ziet ze dus niet elke dag in het straatbeeld, dat is
juist. Zeker niet in België. Je trekt dus meer de aandacht dan
een gewone rugzaktoerist. En dat heeft ons even doen aarzelen.
Maar de voordelen wegen niet op tegen dat ene, allicht te
verwaarlozen, nadeeltje.
Niet
alles kan in de Carrix. We dragen elk nog ook een niet helemaal
gevulde 35 liter-rugzak, een kilo of zeven. Of de Carrix-kar aan
de verwachtingen beantwoordde hoor je later wel.
www.carrix.ch
|