Over de Pyreneeën | Brigit & Ludo Van Lint

Ja hoor, ik leef nog. En weet dat ik jullie nog een verhaal moeten leveren over het Spaanse deel van onze Santiagotocht. Dat is onderweg niet gelukt. Eerlijk gezegd zijn de dagen toch wel goed gevuld en is een mens meer moe dan ik aanvankelijk had kunnen denken. Bovendien ben ik na onze terugkeer enkele weken ziek geweest. Infectie van het evenwichtsorgaan, onder meer met bijhorende hoofdpijn. Dat betekende onder meer dat TV- en computer-kijken in december en januari niet altijd een evidente zaak was. Al bij al verloopt ook de heraanpassing aan het normale, dagelijkse, stedelijke leven toch wat trager dan gedacht. Het leven van een permanente wandelaar langs de camino is toch wat eenvoudiger dan het dagdagelijkse leven in Mortsel.

Eenvoudiger wil nog niet zeggen zonder problemen. Als ik mijn dagboek er op na lees dan is het toch een beetje een wonder dat ik de tocht heb uitgelopen. Vrijwel dagelijks staat daarin wat te lezen over voetspieren die weer niet meewillen en stel ik me de vraag of ik het wel zal halen… En Brigit, zo lees ik, wil dikwijls sneller. Ze vindt het tempo te traag. Aan haar stimulerende woorden – en de steun van een aantal andere pelgrims – is het allicht te danken dat ik het toch gehaald heb. Toch had Brigit ook haar problemen, heimweeproblemen vooral. En dat had veel te maken met Wannes, onze enkele maanden oude kleinzoon.

Even aansluiten bij een maanden geleden verstuurde mail. Na ongeveer tweeduizend kilometer (via Reims, Vézelay, Cluny en Le Puy) staan we in Saint-Jean-Pied-de-Port aan de voet van de Pyreneeën. Er resten ons nog ongeveer 750 km. De eerste week loopt broer Jef en schoonzus Tinne met ons mee. Samen met tientallen andere pelgrims uit een lange reeks landen. Maar niet uit Vlaanderen en nauwelijks uit Nederland. Dat zal tot in Santiago zo blijven. We hebben in Spanje welgeteld één Vlaamse pelgrim ontmoet (een fietser) en enkele Nederlanders. Blijkbaar kiezen Vlamingen en Nederlanders allemaal voor de lente en de zomer – en voor de grote drukte en warmer weer. Niet dat het in september en oktober zó koud was, maar toch, af en toe was het ’s ochtends koud genoeg om handschoenen te dragen. Enkele nachten heeft het ook gevroren.

Van de tocht over de Pyreneeën hebben veel pelgrims schrik. De verhalen daarover zijn toch wel wat overdreven. De etappe van Saint-Jean naar Roncesvalles is 27 km lang, 1 150 meter stijgen, 450 meter dalen. Maar stel je de tocht niet voor als een echte bergtocht. Het overgrote deel loop je op asfalt. Toch kan ik me indenken dat bij minimaal zicht en bij grote sneeuwval verdwalen mogelijk is, zeker als je helemaal geen bergervaring hebt. In de winter van 2006-2007 is er zo onder de pelgrims nog een dodelijk slachtoffer gevallen. Je kan bij slecht weer nog voor de – saaiere - autoweg kiezen (overigens de historische route).

Maar bij goed weer zijn er geen problemen, dan kies je uiteraard voor de mooiere route Napoléon.

Door de Pyreneeën loop je maar één dag. Dag twee wandel je nog wel door de uitlopers met een pak pittig dalende kilometer, zeker de vijf kilometer vóór Zubiri. En je wandelt over nog meer mooie heuvels met panorama’s.

Tussen Pamplona en Puenta la Reina stijgt de route stevig van 400 naar 800 meter naar de Alto del Perdón. Altijd waait het er stevig. Boven op de kam staan dan ook tientallen windmolens. En een van de mooiste monumenten ter ere van de pelgrim langs de camino. Een rij roestige pelgrimsilhouetten met stokken, vlaggen, paarden en ezels. Boven kijk je uit over een weids, dor landschap. Heel in de verte ligt Puenta la Reina.

Na León loop je een paar dagen rustig tussen 800 en 900 meter  om dan, kort na Astorga, te stijgen naar het beroemde Cruz de Ferro (1 504 m), het kruis waar al eeuwen lang pelgrims de van thuis meegebrachte stenen achterlaten, symbool voor alle zorgen die ze achter zich laten. Prachtige uitzichten in deze Montes de León, tot Ponferrada. Aan de horizon toppen tot boven 2000 meter. Steeneiken, donseiken, heide, brem, gaspeldoorn en overal de herfsttijlozen die de meeste pelgrims voor krokussen houden. Indrukwekkend eiken soms zoals de Roble del Peregrino, kort voor Rabanal… Het doet wat om te weten dat eeuwen geleden al pelgrims net als wij onder zijn takken verpozing zochten. Kort voor het hoogste punt, het Cruz de Ferro loopt de camino door Foncebadon. Eeuwenoude halte langs de camino. En dorp waarover alle gidsjes vermelden dat je moet oppassen voor honden. Ja, auteurs nemen af en toe informatie over van andere auteurs. Er lopen in Foncebadon een paar honden rond maar dat zijn gewoon brave beesten. In het dorp voorbij Foncebadon, Manjarin, houden Brazilianen een heel eenvoudige refugio open. Nu ja, dorp, er is geen huis meer heel. De bewoners zijn al lang weggetrokken. Op het kerkhofje vertellen de doden over leven, of beter over-leven in de Montes de León. Ruines en vervallen huizen vind je hier in de verre omgeving. Minder in de dorpen langs de camino. Die is immers de jongste decennia een belangrijke speler geworden in de lokale economie. Meer dan elders kregen de mooie huizen met houten balkonnetjes en zware platte stenen op het dak, een opknapbeurt.

Nog mooier dan de Montes de León zijn de bergen in Galicië. Een Land van Kelten. En dat merk je meteen als je na een paar uur wandelen op een van de mooiste bergpaden in O Cebreiro arriveert. Een handvol mooi gerestaureerde granieten huizen met ovalen stro- en bremdaken zorgen voor een Asterix- en Obelixsfeertje. Maar een levend dorp is O Cebreiro niet meer. Alleen pelgrims en toeristen lopen er hun rondjes. In alle windrichtingen kijk je uit over groene bergen, zo ver je kan zien. Groen want er is in Spanje geen streek waar het zoveel regent als in Galicië. Groen, ook van milieu-onvriendelijke dennen en even milieu-onvriendelijke eucalyptusbomen (de laatste etappes voor Santiago). Maar ook het helgroene van weilanden doorsneden met hagen of met prachtige eeuwenoude stenen muurtjes. In bossen en bosjes groeien machtig mooie eeuwenoude kastanjes. Kerken staan hier dikwijls niét in het midden van het dorp maar een heel eind erbuiten, midden in het landschap. Langs de wegen vind je mooie kruisen, altijd tweezijdig, Christus aan de ene kant, Maria of een andere heilige aan de andere kant. Opvallend in de dorpen zijn de hórreos, kleine schuurtjes op poten of soms dwars over de straat, schuurtjes met een voorraad maïskolven.   

De camino loopt ook door het noorden van de Meseta, de enorme Spaanse hoogvlakte. Grosso modo tussen Burgos en Leon. Je leest hierover de meest vreselijke dingen. Verhalen over de eindeloze graanvelden, niet te doen bij dertig, veertig graden Celsius... Om te beginnen liepen wij door de Meseta in oktober en het was het er op sommige dagen, althans ’s ochtends, eerder frisjes. Geen wiegende zeeën met goudgeel koren maar kale akkers met hier en daar een boer op een tractor. Neen, saai vonden we de meseta allerminst. De woestijn is toch ook niet saai? Je moet wel wat oog voor detail hebben, voor kleine kleurschakeringen en voor het lijnenspel in het landschap. De Meseta is ook niet altijd vlak. Sommige heuvelruggen bieden je prachtige uitzichten. Een mooi voorbeeld: de etappe van Castrojeriz naar Frómista. We vertrokken toen de zon nog niet op was. Al vlug gaat het snel honderd meter de hoogte in. Op het hoogste punt kwam langzaam de zon achter ons boven de horizon. Prachtig dat uitzicht, prachtig die kleuren! Iedereen verrukt. Enkelen staan er met gemengde gevoelens: mooie zonsopgang maar óók een berg vuilnis…

Dieren

Gieren blijven fascinerende vogels. Helemaal aan het eind van de voedselketen ruimen ze de kadavers op. In de Pyreneeën zijn ze nog altijd in grote getale present. Net als de karkassen langs de wandelroute. 

Karkassen, al dan niet van schapen. Hele mooie schapen in de Pyreneeën: zwarte kop, zwarte poten, mooi gekrulde hoorns. Prachtig als een kudde verspreid grazende schapen witzwarte toetsen aanbrengt op de groene berghellingen.

Opvallend veel rode wouwen ook in de Pyreneeën.

Ooievaarnesten vind je in Spanje her en der langs de camino. In Carrión bv., Santo Domingo, Belorado… - om maar enkele dorpen te noemen met ooievaarnesten- hoort het geklepper bij het dagelijkse leven.

In Santo Domingo is de kip ook een prominent dier: met s’n tweeën huizen ze immers in een luxueus hok in de kerk. Dat heeft alles te maken met een van de meest bekende Jacobuslegendes. In de tuin van de lokale refugio – een van de oudste van de camino – wachten soortgenoten hun beurt af.

Ik ben een verwoed vogelkijker en heb dus 4,5 maand m’n kijker af en toe gemist. Af en toe want onderweg heb je niet zo heel veel tijd  om eender welke hobby te beoefenen. Ik herinner me dat ik welgeteld één keer een pelgrim gezien heb die naar de vogeltjes stond te kijken.

Neen, we hebben in Galicië geen wolven ontmoet en evenmin beren. Al leven er daar nog wel enkele.

Af en toe kruisten we een mooie kudde bruine koeien of schapen. De schapen in de Pyreneeën - met zwarte kop en poten - waren de mooiste. Al staan die gebrilde schapen in de Quercy (maar dat is dan wel Frankrijk) ook hoog genoteerd. Die beesten hebben mooie bruine vlekken rond hun ogen.

Schapen kunnen ook… gevaarlijk zijn. Een keer hebben we twee pelgrims ontmoet die gewoon letterlijk omver gelopen waren door een kudde schapen! De man was er goed van afgekomen, de vrouw was gekwetst aan de arm en moest naar de dokter. De beesten hadden nochtans gewoon gedaan wat ze moesten doen: luisteren naar de hond. Alleen had de herder zijn hond niet onder controle. De man stond gewoon te praten met een voorbijganger en had even geen aandacht voor z’n beesten.

Wegwijzers

Je moet al erg verstrooid zijn om langs de Camino francés verloren te lopen. Langs de hele route vind je de kwistig en slordig aangebrachte gele verfstrepen en –pijlen. Bovendien hebben Navarra, Rioja, Castilla-León, Galicië en vele gemeentebesturen nog eens hun eigen bewegwijzeringssystemen, borden, overzichtsborden, kilometerpalen en halve kilometerpalen… De laatste in Galicië. Eerlijk gezegd, als pelgrim stel je het op prijs dat je de laatste honderden kilometer elke halve kilometer kan zien dat je weer vijfhonderd meter dichter bij het einddoel bent. Alleen staan er de laatste twintig, dertig km geen paaltjes meer. Verdwenen. Allicht omdat de camino er al zo dikwijls verlegd is. De afstanden kloppen niet meer.

Nog meer bewegwijzering: de vuiligheid. We hadden een beetje verwacht dat pelgrims nogal propere mensen zouden zijn. Dat blijkt niét zo te zijn. Of beter, een groot deel van de pelgrims zijn viezer en vuiler dan de doorsnee wandelaar. En die is al geen voorbeeld van ecologisch bewustzijn.

Wie langs de camino wandelt heeft dus te maken met veel flesjes en verpakkingen. Soms rond vuilnisbakken, meestal niet. Vuilnisbakken die heel dikwijls niet leeggemaakt worden. Nog opvallender als ‘bewegwijzering’ zijn de papieren witte zakdoekjes en blaadjes WC-papier. Daarmee is eigenlijk wit, en niet geel, dé kleur van de camino-bewegwijzering. Ik heb in mijn boekenkast een klein boekje met als titel: How to shit in the woods. Ik overweeg om daarvan een bewerking te maken: How to shit along the camino. Het shitgedrag van peregrinos en peregrinas is inderdaad ergerlijk. Heilige Jacobus, grijp asjeblief in.

Wandelwegen

De historische Camino francès… Stel je maar niet voor dat je voortdurend wandelt langs rustige, kronkelende veld- en boswegen, karrensporen en bergpaden, van dorp naar dorp. Soms, ja. Maar steeds minder. Al langer zijn stukken van de oude bedevaartsweg uitgegroeid tot belangrijke verkeersaders en bovendien is het noorden van Spanje de jongste decennia in een economische stroomversnelling terecht gekomen, mede dankzij vele Europese fondsen. Nieuwe wegen, nieuwe industriegebieden, ruilverkavelingen… Met weer andere Europese fondsen worden grote stukken van de camino heraangelegd. Wellicht nog zo dicht mogelijk bij de historische route maar veelal langs kaarsrechte wegen. Soms langs snelwegen, soms langs verkeersluwe wegen. Kaarsrechte grindwegen met om de zoveel meter een plataan die aan de pelgrims wat schaduw zou moeten bezorgen. Er zijn alleszins pelgrims die het niet kan schelen langs welke weg ze het graf van Jacobus bereiken, als ze er maar komen. Maar de doorsnee pelgrim-wandelaar vindt dit soort wegen een verschrikking.

Stilaan groeit de behoefte aan een reeks nieuwe gidsjes. Gidsjes waarin belangrijke delen van de historische camino behouden blijven (met belangrijke kerken, kruisen, kapellen etc….) maar waarin ook rustige, al dan niet langere, alternatieven worden aangereikt voor de meest onaangename trajecten. 

Slapen, eten en drinken

Ja, in veel dorpen en steden langs de camino kan je slapen in een hotel- of een hostalbed. En als je perse wil en zoekt vind je wel ergens iemand die toelating geeft om je tentje op te zetten.

Het gros van de pelgrims logeert evenwel in albergues of refugios. Van de overheid, van parochies, van pelgrimsverenigingen, van kloosters of van privé-personen.

In regel slaap je er in kamers met vijf, tien, twaalf stapelbedden of in dormitorios met nog veel meer stapelbedden (meestel twee, een enkele keer drie bedden boven elkaar). Tientallen bedden, soms meer dan honderd. Er hoort ook sanitair bij, dikwijls ook een leefruimte en een keuken. Soms is de keuken gesloten, niet altijd om duidelijke redenen. Allicht gaat het om de verdediging van plaatselijke middenstandsbelanen.

Slapen in albergues is goedkoop. Meestal betaal je vier à zes euro per man en per nacht. Een enkele keer nog minder, drie euro of alleen maar een donativo. Je betaalt dan wat je wil. In de betere privé-refugio’s betaal je negen of tien euro. Principieel kozen we als pelgrim voor albergues. Het hoort bij een tocht naar Santiago om veel van het dagelijkse comfort en de luxe van thuis achter jou te laten. En te ervaren dat het ook met veel minder kan. Ook al zal je wel al eens moeten sakkeren omdat er deursloten stuk zijn, de matras wat plekken vertoont of versleten is, er alleen nog koud water uit de douche komt (vooral omdat de andere pelgrims te lang onder de douche stonden) of omdat er motorzagen naast je slapen en je zelf vergeten bent om bij de apotheker oordopjes te kopen…

In regel moet je in de meeste albergues vóór acht uur de deur uit zijn. En dat is soms vroeg. Maar begrijpelijk, tenminste als het gaat om herbergen waar hospitaleros álles zelf moeten doen, ook de kuis. Ook de vrijwillige hospitaleros hebben immers recht op wat vrije tijd.

Drie keer maakten we in Spanje een uitzondering op de albergue-regel: in Burgos, Leon en Santiago logeerden we in een hotel. Af en toe heb je een goed bed en een goed bad nodig en wat meer privacy, zeker als je maandenlang onderweg bent.

Het is bepaald niet zo dat je elke avond in een herkenbaar, identiek logement slaapt, zoals dat bv. het geval is met grote hotelketens. Elke refugio is weer een andere ervaring. Om te beginnen omdat ze niet op dezelfde manier beheerd worden. Essentieel is dat minstens één persoon die goed gemotiveerd is, zich het welzijn van de pelgrims aantrekt en bekommerd is om het reilen en zeilen van de refugio. Helaas is zo’n man of vrouw niét altijd aanwezig. Althans niet toen wij de camino francés liepen in oktober. Het kan gaan om gemeentepersoneel. Alleen zijn er veel gemeentebedienden die niet veel meer doen dan namen inschrijven in het register, centjes ontvangen, stempels zetten in crédenciales en bedden toewijzen. Of de vorige pelgrims de keuken netjes opgeruimd hebben zal hun een zorg zijn en nog veel minder liggen sommige wakker van het achtergelaten eten in de koelkast.

Meestal (niet altijd) is de motivatie van een vrijwillige hospitalero een stuk groter. Hospitaleros uit alle landen: Zwitsers in Belorado, Belgen in Los Arcos, Amerikanen in Bercianos, Fransen in Navarrete, Duitsers in Pamplona en Mansilla, Engelsen in Rabanal, Japanners en Fransen in Najera, Nederlanders in Roncesvalles… Niet dat álles er naar wens verloopt. Dikwijls zijn de vrijwillige hospitaleros immers afhankelijk van lokale overheden of vrijwilligers. Soms ook niet, zoals in de goed draaiende, sfeervolle herberg van de Confraternity of Saint James in Rabanal.

In Roncesvalles slaap je in een enorme en hoge kloosterzaal van de augustijnen. De goede gang van zaken laten ze over aan de Nederlanders en het dient gezegd, het draait er goed. Ook al zijn er ‘maar’ vier douches voor 114 bedden (en niet twee zoals in alle boekjes staat vermeld).

In Larrasoaña is er een kleine, gezellige herberg in het voormalige gemeentehuis. Die is alleen snel vol en dan kom je in een ander, overvol gebouw terecht waar alle gezelligheid zoek is. Het sanitair (kleine douches) staat voor de deur in een container…

Pamplona is verbroederd met Paderborn en de Jakobsvrienden van Paderborn houden er een herberg open. Met ontbijt. En met Deutsche Grundlichkeit: wekken om 6 u.(!) en controle een kwartier later: ben je wel al opgestaan? Gelukkig maar één keer gebeurd. Al kwam de poetsvrouw in Cacabelos ook om half acht de kamer binnen om er zeker van te zijn dat ze om acht uur kon starten. Originele albergue overigens in Cacabelos: kleine kamertjes met twee bedden en een klapdeur, in een langgerekt hoefijzervormig gebouw rond een kerk. Correct sanitair en overdekte luifels maar geen leefruimte, geen keuken.

In Estella beheert een organisatie voor sociaal zwakkeren de albergue. In Villar de Mazarife runt landbouwer Jesús een prima albergue met binnenplaats en tuin. En van Jesus mag je in zijn schuur gratis aardappelen gaan halen. De beste die we in jaren mochten eten.

Een van de mooist gelegen overheidsherbergen langs de camino vind je in Ribadiso, op twee wandeldagen van Santiago. Verschillende gebouwen langs een riviertje. Mooi verzorgd, voldoende ruimte, voor sanitair moet je wel naar buiten maar dat is alleen maar een probleempje in het koudere laagseizoen. Er is een grote, moderne keuken maar die was in oktober gesloten, alle potten en pannen waren opgeborgen. Naast de deur is er wel een restaurant. Zowat het tegenovergestelde is de overheidsherberg in Pedrouzo, deelgemeente van Arca, een dagetappe verder. In de jaren negentig met veel bombarie ingewijd door Fraga Iribarne. Grote leefruimte, grote keuken maar in deplorabele staat. Vuiligheid onder de bedden… Maar om 4 u. komt de gemeentebediende wel langs voor het register en de stempeltjes. Onder de herberg zijn er zelfs negen paardenstallen. Licht en water functioneren er niet meer. Ze zijn vuil en smerig …

De waarheid gebiedt om te vertellen dat er ook gezondheidsproblemen zijn. In Carrión de los Condes en ook nog in de herbergen vele dagen later waren er elke avond pelgrims met zware maag- en darmproblemen. Overgeven, buikloop… Er circuleerden hierover verschillende theorieën: voedselvergiftiging, een virus, vervuild water… Vast staat dat dit niet de eerste keer gebeurde. Ik vond op het internet nóg verhalen over doodzieke pelgrims in Carrión en veel verder richting Santiago. Niet alleen in de albergues, maar ook langs de weg. De apotheker vertelde dat er ook nogal wat Spanjaarden ziek waren. Een waterprobleem lijkt me het meest waarschijnlijke scenario. Flessenwater dus, zéker vanaf Carrión. Het lijkt me dat een waarschuwing vanwege overheden en jacobusgenootschappen op z’n plaats is!

Tweede gezondheidsprobleem: les punaises de lit, bedwantsen  (Cimex lectularius). Vrijwel verdwenen na de tweede wereldoorlog zijn ze nu op vele fronten opnieuw bezig aan een opmars. Langs de camino, in gîtes d’étapes en refugios, maar even goed in hotels in Amsterdam, Brussel of New York. De 5-8 mm grote beestjes zuigen ’s nachts je bloed en zorgen voor reeksen beten die erger jeuken dan muggenbeten. Ze huizen in de spleten van de vloeren maar ook in rugzakken of slaapzakken. En ze laten er hun eitjes achter.

Als ze opduiken kan de uitbater van de albergue niet veel anders doen dan een dag sluiten en alles grondig laten ontsmetten door een gespecialiseerde firma.

Niet iedereen is geliefd bij die beestjes. Wij hebben wat niet geïdentificeerde beten gehad met daaropvolgende allergie maar waarschijnlijk ging het niet om beten van wantsen.

Punaiseproblemen vermijd je ook niet door systematisch te kiezen voor een hotel. We kennen een pelgrim die daar wel van overtuigd was en in Burgos naar een hotel trok. ’s Anderendaags telde ze ongeveer tweehonderd (!) beten op haar lichaam. Werk van vlooien maar voor het grootste deel van bedwantsen. Ze is er net niet gek van geworden.

Eten? Ofwel kook je zelf als er een keuken is. Zeker in Galicië heb je soms prachtige keukens maar ligt de overheidsrefugio wel eens ver buiten het dorp. Het is dan handig als je een heel eenvoudige maaltijd uit je rugzak kan toveren. Spagetti bv. met tomatensaus.

Het overgrote deel van de pelgrims kiest voor een eenvoudige Menu peregrino in een lokaal restaurant. Dat kost je 7, 8, 9 euro voor een eenvoudig voorgerecht, een hoofdschotel en een dessert. Water en wijn zijn altijd in de prijs inbegrepen.

Soms zorgt de albergue zelf voor een ontbijt (al dan niet voor enkele euro of een donativo) en heel soms ook voor een avondmaal als er in het hele dorp geen permanente mogelijkheid is om te gaan tafelen. Zo aten wij in de parochiale albergue van Bercianos del Real Camino met z’n allen ensalada mixta, patatas riojanos en watermeloen, klaargemaakt door een parochiale vrijwilliger en een Amerikaanse hospitalero. We waren maar met een dozijn peregrinos. Als er veel peregrinos zijn moet je soms wel een handje toesteken.

Net zo min als Franse ontbijten zijn Spaanse ontbijten te vergelijken met de Vlaamse. Koffie, dat wel, maar brood? Soms. Soms wat toastjes, soms een croissant, soms alleen maar madeleine- en andere koekjes. En boter. Rond tien uur, half elf eten Spanjaarden opnieuw een hapje, croissant of brood en koffie. Veel pelgrims vertrekken zonder ontbijt en spoeden zich naar de eerste bar in het volgende dorp. Daar staat de koffie klaar en een ontbijt…

Pelgrims?

Ja hoor, er zijn onder de Compostelagangers nog veel ‘echte’ pelgrims, pelgrims die om religieuze redenen op stap zijn of die al wandelend zich toch bezinnen over diepere levensvragen. Of dat de meerderheid is, dat is zeer de vraag. Er zijn de sportieve stappers die snel en veel kilometer willen stappen,, de mannen die een nieuw lief zoeken, de cultuurhistorisch gemotiveerden, de pure toeristen… Niet te vergeten: de revival van de camino is ook een economisch gebeuren. Restaurants, hotels, winkeliers, bars, ze leven er allemaal van. En soms dreigt dat de essentie te overschaduwen. (Heel) soms tot ergernis van de pure pelgrims. Je weet wel, de kooplui in de tempel… Ik herinner me levendig Christian, een Duitse sportjournalist. Enkele keren hebben we hem ontmoet, in Frankrijk en Spanje. Hoe dichter bij Santiago, hoe meer de Camino Francès voor hem een beproeving werd.  Met pelgrimeren had het voor hem niet veel meer te maken.

Christian was ook de man die thuis in München vertrokken was met twee kilo stenen in zijn rugzak. Stenen en steentjes van vrienden en familieleden om, samen met zijn steen, te deponeren in de Galicische bergen, aan het Cruz de Ferro. Stenen als symbolen voor allerlei lasten waarvan mensen zich willen bevrijden. Dat gebeurt daar al eeuwen lang. Christian heeft uiteindelijk zijn stenen niet aan het Cruz de Ferro gedeponeerd. Hij had immers gehoord dat toeristen nu ook al die stenen meenemen. Als souvenir.

Ach pelgrims… Je hebt ze in alle soorten. De meeste wandelen of fietsen. Maar we hebben er ook ontmoet met een ezel, met een muilezel en met een hond. We hebben ook een Nederlandse Brabander ontmoet met fiets en hond. Alleen fietste hij nooit maar liep hij altijd naast zijn fiets. De manier waarop zijn fietst bepakt was maakte fietsen ook onmogelijk. Ondanks de fietslast koos hij nooit voor makkelijke wegen. Ook al had hij de keuze tussen een asfaltweg en een hobbelige veldweg of een bergpad, hij sleurde z’n vehikel over de veldweg of het bergpad. Wandelschoenen had hij niet. Versleten sandalen en geen kousen. Ook al lag de ochtendtemperatuur in oktober soms dicht tegen het vriespunt.

We troffen langs de camino pelgrims uit bijna alle Europese landen, van Oekraïne tot Noorwegen, van Portugal tot Hongarije. En verder uit de VS, Canada, Mexico, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Japan… Wij vertrokken in Mortsel, anderen liepen op wandelschoenen naar Santiago vanuit Amsterdam, München, Praag… Eén pelgrim, een Fransman was al een jaar onderweg. Hij vertrok in de Sinaïwoestijn en liep door Jordanië, Syrië, Turkije enz. naar zijn thuisland en tenslotte naar Spanje. Goed voor achtduizend kilometer. Met een kar. Geen Carrix maar een Chariot-fietskar die hij als wandelkar gebruikte. Hoe kan je anders in de woestijn twintig liter water meezeulen….

Voor veel pelgrims is de camino een bijna jaarlijks weerkerend ritueel. Vooral omdat velen niet de tijd hebben om de camino in één keer uit te lopen. Voor anderen omdat ze het Santiago-gebeuren, het samen optrekken met andere pelgrims niet meer kunnen missen.

Hooguit een tiental wandelende pelgrims kruisten ons pad in de tegenovergestelde richting, op weg naar huis. Er schijnen ook enkelingen rond te lopen die blijven wandelen. Thuis voelen ze zich niet meer thuis, hun nieuwe thuis zijn de caminos

De heilige kerk

Onze moeder de heilige kerk is vanzelfsprekend langs de camino vanzelfsprekend duidelijk aanwezig. In de eerste plaats met talrijke kloosters en kerken, al dan niet overdadig versierd met veel uit Zuid-Amerika weggesleept goud en zilver. De dramatiek van het lijden van Christus, van de goede week, is nooit ver weg in deze kerken. Minstens één Mater Dolorasa, Maria’s met zeven zwaarden door het hart, Christusfiguren met veel wonden en bloed, al dan niet opgeborgen in glazen doodskisten. Heel dikwijls ontmoet je er ook Santiago, apostel Jacobus Maior. In nogal wat kerken zijn er ’s avonds pelgrimsmissen met een speciale zegening van de pelgrims. In Roncesvalles, bij de augustijnen, is de mis annex zegening een indrukwekkend gebeuren waarbij drie augustijnen (bijna het hele klooster) voorgaat in de dienst. 

Merkwaardig is dat op sommige plaatsen heel veel pelgrims die missen  en zegeningen bijwonen. In Roncesvalles was dat de grote meerderheid van de pelgrims. Wat ook hun reismotieven zijn. In León volgt de zegening bij de benedictinessen na de completen van de benedictinessen. Heel sfeervol want het klooster heeft daar een hele reeks goeie stemmen. Daar was de opkomst dan maar magertjes. Geen zegening, want zegenen, dat mag moeder abdis niet. Na de dienst is er wel een toespraakje door de abdis, vertaald in andere talen door een ander zuster. En een pelgrimsgebed, gevolgd door het zingen van het Salve Regina. Een populair lied in vele kloosters langs de St.-Jacobsweg.

Heel apart is de plechtigheid in San Juan de Ortega – niet veel meer dan enkele huizen rond een grote kerk waar San Juan de Ortega begraven ligt. De heilige was in de middeleeuwen een van de grote promotoren van de camino en staat bekend als wegen- en bruggenbouwer. De mis en de zegening rond zijn graftombe stelt niet zo veel voor maar wél heel apart is het uurtje na de mis. De 81-jarige pastoor biedt dan aan de aanwezige pelgrims soep aan. Goeie looksoep. De man doet dat al meer dan dertig jaar, vrijwel élke dag… Een hartelijke man die in San Juan het aantal pelgrims in enkele decennia enorm heeft zien toenemen. Hij kan – in ’t Spaans – boeiend vertellen over hun motieven, over Brazilianen die hun dochters naar de camino sturen om een man te vinden, over de invloed van schrijvers als Paulo Coelho en Shirly McLean.

In Rabanal del camino is er een kleine priorij van de benedictijnen – San Salvador del Monte Irago - naast de Engelse refugio. Je kan er logeren, maar dan wel minimum twee nachten. In de dorpskerk zingen twee monniken ’s avonds wondermooi de vespers. Ze zegenen ook de pelgrims maar enkele minuten praten met de aanwezigen kan er niet af, de monniken verdwijnen meteen richting klooster. De priorij hangt af van   de Duitse abdij van Sankt Ottilien.

Nog meer benedictijnen. De gigantische abdij van Samos heeft een geschiedenis die teruggaat tot de zesde eeuw en is daarmee een van de oudste kloosters van West-Europa. Wel grotendeels niet meer origineel want in de jaren vijftig – toen produceerden ze hier nog geestrijke dranken – is een vat alcohol ontploft en brandde alles af. Je kan - in ’t Spaans – een geleid bezoek meemaken en je kan ook naar de vespers annex zegening. De abdij heeft een eigen refugio, strikt gescheiden van de rest van ’t klooster. Bedden en sanitair, maar geen leefruimte of keuken. In de late namiddag brengt een man een blitzbezoek om de credencials te stempelen. Kunnen de twintig benedictijnen in dit gigantisch complex nu niks meer doen voor de caminostappers? Er is daar toch wel logement denkbaar dat wat meer aansluit bij het abdijleven…

De clarissen bieden her en der ook logies aan. In Spanje in Carrión de los Condes. Mooi complex, we hebben er geslapen. De keuken is niet veel groter dan een microgolfoventje en de kloosterkerk bleef voor pelgrims gesloten. Tenzij voor de mis ’s anderendaags, op een uur dat een normale pelgrim al op stap is.

Er waren langs de camino nog meer missen en gebedsdiensten voor pelgrims. Allemaal hebben we ze niet bezocht. Een dagelijks wandelende mens is af en toe ook te moe om ’s avonds aan om het even wat nog deel te nemen. Twee keer liepen we in een kerk ook de pastoor tegen ’t lijf. Een van de twee deed niets liever dan stempeltjes zetten. Je vraagt je dan toch af of die man niks nuttiger te doen heeft. De andere was van ’t zelfde type en hij begon bovendien nog ongevraagd aan een privé-zegening. 

Een absoluut hoogtepunt voor alle pelgrims is natuurlijk de dagelijkse pelgrimsmis om 12 u. in de kathedraal van Santiago de Compostela. Altijd veel volk. Veel blije en vermoeide pelgrims. Gelovig of niet, ze willen het allemaal meemaken en ze zitten er allemaal met veel emoties en gemengde gevoelens. Aan dé we is immers een einde gekomen. Pelgrims vallen er in elkaars armen, ontmoeten weer eens pelgrims die ze al een hele tijd niet meer zagen. Velen blijven nog een paar dagen en gaan ook de volgende dagen naar de mis, al was het maar om te zien of niet weer nog oude bekenden opduiken. Of om toch maar het spektakel met de botafumeiro te kunnen meemaken, het reusachtige wierookvat dat door acht mannen in beweging wordt gebracht en van de ene zijbeuk naar de andere slingert. Dat kan je niet elke dag meemaken, zelfs niet elke zondag. Wel op grote feestdagen. Wij arriveerden ’s zondags. Geen botafumeiro. Liepen dinsdag nog heel even de kerk binnen. En warempel, die dag was het wel wierookdag.

En dat je in de kathedraal het al dan niet echte graf van Jacobus maior gaat groeten en dat je zijn zilveren buste omarmt, dat hoort er natuurlijk ook bij.

Als ik het opnieuw zou doen?

De camino is en blijft een bijzonder boeiende belevenis. We zijn nog altijd heel blij dat we deze droom hebben kunnen realiseren. We zijn er ook fier op  Als we opnieuw zouden beginnen zouden we wellicht een kortere route kiezen. 4,5 maanden onderweg is lang. Het was soms echt wel doorbijten.

Ik zou de tocht ook nóg beter voorbereiden. Voor de minder interessante trajecten van de Camino Francès zou ik alternatieve routes zoeken, ook al zou de pelgrimstocht daardoor misschien weer ietsje langer worden. Dat heeft niet alleen met de saaie, nieuwe trajecten, met autosnelwegen en industriezones te maken, maar ook met de behoefte om af en toe een paar dagen in alle rust te kunnen wandelen, weg van de grote stroom pelgrims. Veel contacten, veel plezier met ‘pelgrims’ uit heel veel landen is belangrijk. Maar graag ook af en toe de stilte, de eenzaamheid ‘van de woestijn’. Het zou best kunnen dat ik het zoeken naar die alternatieven dan zou combineren met het zoeken naar meer abdijen en kloosters om te overnachten of er zelfs meer dan één nacht te blijven.

Wellicht zou ik ook kiezen voor iets meer rustdagen. Echte rustdagen, in dorpen waar niet veel te beleven valt. Rustdagen in grotere cultuurcentra als Le Puy of León, maar ook kleinere als Vézelay of Conques, zijn eigenlijk geen echte rustdagen. De verleiding om daar kerken, kathedralen en musea te bezoeken is veel te groot.

Onze etappeplaatsen 

Roncesvalles, Larrasoaña, Pamplona, Puenta la Reina, Estella, Los Arcos, Viana, Navarrete, Najera, Santo Domingo de la Calzada, Belorado, San Juan de Ortega, Burgos, Hornillos del Camino, Castrojeriz, Frómista, Carrión de los Condes, Terradillos de Templarios, Bercianos del Real Camino, Mansilla de las Mulas, León, Villar de Mazarife, Astorga, Rabanal del Camino, Molinaseca, Cacabelos, Vega de Valcarce, Fonfría, Samos, Portomarín, Palas de Rei, Ribadiso, Pedrouzo, Santiago de Compostela.

Uitrusting

Schoenen

Een moeilijk verhaal. De wandelschoenen waarmee ik thuis vertrok waren na tweeduizend kilometer – in St.-Jean-Pied-de-Port – versleten. Stukken van beide hielen waren helemaal niet meer met rubber bedekt. Ik had al lang een schoenmaker aan het werk moeten zetten. Het is niet helemaal een goed excuus maar zoveel schoenmakers met een express-service zijn er langs de Franse route niet te vinden. Uiteindelijk besluit ik in Pamplona – zonder advies van een schoenmaker – dat m’n schoenen niet meer te herstellen zijn. Ik gooi de oude weg en koop een paar nieuwe schoenen. Altijd een risico en bovendien gebeurt wat nooit had mogen gebeuren: ik koop ze een halve maat te klein. Brigit was er niet bij. Meestal tempert zij mijn ongeduld en voorkomt ze dat ik te snel vind dat schoenen of andere kleding goed bevonden worden. ‘Ik heb het nadien moeten horen! Ik had toch de binnenzool van mijn oude schoenen op de binnenzool van de nieuwe moeten leggen! Dan had ik wel gezien dat de maat fout was…’ En ja, ik wist inderdaad dat ik dit had moeten doen…

Zeventien dagen – tot in León - heb ik mijn al door spierpijnen geteisterde voeten extra gepijnigd met deze nieuwe schoenen. In León heb ik me opnieuw wandelschoenen gekocht. Deze keer de juiste. De andere heb ik achtergelaten bij de benedictinessen. Bestemd voor een pelgrim met versleten schoenen en een lege portemonnee.

De járen oude wandelschoenen van Brigit deden het tijdens onze camino uitstekend. Ze was wel zo slim om in Pamplona bij een schoenmaker aan te kloppen. De man vond het een hele eer om de schoenen van een peregrina te herstellen en lapte de twee hielen op.

Kar en rugzak

Zoals eerder gemeld hebben we het Spaanse deel van onze camino niet gelopen met onze Carrix. De kar, de tent en de matjes heeft zoon Bert mee naar huis genomen. De reden?

In de eerste plaats omdat er in langs de camino francès een groot aanbod is aan heel goedkope refugio’s en campings er vrijwel onbestaande zijn. Wild kamperen is in Spanje bovendien veel minder vanzelfsprekend dan in Frankrijk. Als we dat al zouden willen… Ik wel, maar Brigit wil ’s ochtends weten waar ze ’s avonds zal slapen. En daar heeft Ludo zich al enkele weken na het vertrek bij neergelegd.

Dat we door Frankrijk met de kar trokken, daar heb ik geen spijt van. Het was best een boeiende ervaring. Vraag is alleen of er nog een andere, nog betere piste is. Investeren in nieuwe uitrusting maar dan wel de állerlichtste? Een lichtere tent, lichtere slaapzakken, lichtere matjes, nog minder kleding, minder proviant in de rugzak. En dan wordt dat karretje wellicht overbodig.

Nog een andere mogelijkheid demonstreerde de Fransman die al één jaar en achtduizend kilometer onderweg was (vertrokken in de Sinaïwoestijn): een Chariot-fietskar die je ook als wandelkar kan gebruiken. Ze trekt heel makkelijk maar heeft één groot nadeel: de breedte. Smalle paden volgen is uitgesloten.

In Spanje ruilde ik m’n kleine rugzak voor m’n grote trekkingrugzak. Ruim genoeg want kleding hadden we toen nog nauwelijks bij ons.

Brigit die vrijwel nooit met een grote rugzak stapte heeft niets dan lof voor haar Gregory-rugzak. Die paste als gegoten. Nooit had ze problemen met het dragen van die rugzak. Dat was een hele opluchting. De vraag vooraf was immers of een rugoperatie van lang geleden geen problemen zou veroorzaken. Het gewicht van de rugzak was wel beperkt tot een kilo of acht. Een van de redenen waarom we thuis vertrokken zijn met een karretje.

Fototoestel

We hebben ongetwijfeld nogal wat mooie foto’s maar we hebben ook honderden slechte foto’s van de Picture Cards gewist. De kleine digitale cameraatjes hebben het grote nadeel dat ze geen zoeker hebben. Wat je in die glazen plaat te zien krijgt is allesbehalve duidelijk. Als je al wat te zien krijgt want heel dikwijls krijg je alleen een zelfportret…

Je kan dat alleen maar oplossen door een grote reflexcamera mee te nemen… Veel betere foto’s maar vooral een veel groter volume…

M’n broer loste dat op door de cameratas te bevestigen op de rugzak van z’n vrouw. En dat is nog niet zo’n slecht idee.

Kleding

We hadden in Spanje nog nauwelijks kleding bij. Twee broeken of een broek en een short, een hemdje voor ’s avonds en twee of drie T-shirts, voor het overgrote deel van het Nieuw-Zeelandse merk Icebreaker. Eigenlijk merino-wollen shirts. Ze drogen een héél klein beetje trager dan de kunststoffen shirts maar ze hebben vooral het grote voordeel dat ze minder stinken. Je kan er makkelijk enkele dagen mee rond lopen zonder dat anderen klagen over stank.

 


Tuesday, August 07, 2007 4:15 PM
Subject: compostela

Beste allemaal,
 
Ja, we zijn nog altijd op stap. Min of meer volgens het geplande routeschema. Twee keer zijn we drie dagen gestopt om bij te komen, vandaag rusten we één dag uit in Cluny waar we ook een heel klein beetje cultuurhistorie meepikken, samen met zoon Bert die even is overgekomen uit het nabije Zwitserland. Ook de andere zoon, Hans, kwam al enkele keren langs, uiteraard met vrouw Inge en kleinzoon Wannes. Dat was in de Morvan, voor ons nog altijd een van de meest indrukwekkende streken in Bourgogne. Ja, wijngaarden hebben we natuurlijk ook doorkruist, in Champagne en Bourgogne. En we hebben al een beetje wijn gedronken. al blijven we in dat soort dingen vrij bescheiden. Naar Compostela lopen is nu eenmaal niet zomaar een toeristische uitstap. Een van de hoogtepunten in Bourgogne was tot nu toe ongetwijfeld Vézelay. Ook daar bleven we een dagje hangen. Niet zozeer voor de winkeltjes in het dorp dat niet veel groter is dan de ene hoofdstraat, wel voor de basiliek - architecturaal hoogtepunt - en de indrukwekkende polyfonie van de Frères et Soeurs de Jérusalem.
De problemen met de achillespees zijn nog niet helemaal achter de rug, wel bijna. Dat heeft ook te maken met het wondermiddel mij aangereikt door een pelgrim uit Hoei, op stap met een ezelin als bagagedrager.
We hebben de man al drie keer gezien. De eerste keer zat Ludo met peesproblemen. De tweede keer de  pelgrim uit Hoei én zijn ezelin. Allebei zijn ze uiteindelijk genezen door het aanbrengen van een verband met 'argile vert', groene klei. En dat probeer ik nu ook.
Morgen beginnen we aan de Jakobsroute van Cluny naar Le Puy. Ook dat stuk is veel belovend, onder meer met tal van romaanse kerkjes. Elke dag lopen we ongeveer twintig kilometer, soms veel meer, zelden minder. Allebei met een niet zoveel wegende rugzak maar wel nog met een Carrixkarretje achter Ludo. Al bij al is dat wel ietsje zwaarder dan aanvankelijk gedacht, niet op de vlakke en dalende stukken, wel als het flink bergop gaat of het GR-pad sterk geaccidenteerd is of erg slijkerig. Maar de GR volgen is voor ons nooit een must geweest. Sommige stukken vervangen we door makkelijk lopende rustige gemeente- of departementele wegen.
Meer dan eens hebben we al postcollis gevuld met allerlei bagage. De laatste keer ook met alle kookspullen. Sindsdien gaan we ofwel iets simpels eten of eten we brood met wel een vrij ruime keuze aan kaas, worst etc. Slapen doen we nog altijd veel in de tent maar ook in gîtes d'étape, chambres d'hôtes, hotelletjes, stoffige parochiezaaltjes, een keer zelfs in het gemeentehuis en morgen logeren we voor de tweede keer bij nonnetjes.
 
Veel dank voor alle aanmoedigingen.
 
Heel veel groetjes,
 
Brigit en Ludo
 
PS Voor wie ons wat wil toesturen: rond 21 augustus zijn we in Le Puy. Adres: Van Lint Ludo, Poste Restante 43000 Le Puy en Velay.  
 



Saturday, July 14, 2007 9:49 PM

Beste allemaal,

 

Een héél kort mailtje om te melden dat ons alles vrij goed gaat. We zitten wel al een achttal  dagen achter op het geplande schema. Dat heeft niets te maken met de knieproblemen van Brigit, wel met achillespees- en andere peesproblemen van Ludo. En, erger, met een onderbreking om zus Bea ten grave te dragen.

Maar we hebben al véél genoten van de reis. Heel leuke mensen ontmoet, pelgrims en andere. Gelogeerd bij vrienden, geslapen in refuges, chambres d’hôtes, hotelletjes, cafés, goeie en heel slechte campings, privé-tuinen, abdijen, logieshuizen van bisdommen en dekenijen, jeugdherbergen, b&b’s, … boeiend (en heel leerzaam voor al wie in het toerisme werkzaam is). Veel hebben we achter ons gelaten, we hebben geleerd om blij te zijn met heel eenvoudige dingen: brood en kaas om te eten, een bed om te slapen, droge kousen en schoenen, enkele uren zon en wind om een shirt of een broek te drogen, opgehangen aan een rugzak of het karretje. Eenvoudig was dat niet altijd. Tot voor enkele dagen hadden we vooral te maken met regen en regen en regen. En wegen en paden kapot gereden door boswwerkers, 4x4-rijders, motards en quadfanaten – met de steun van gemeentebesturen en waters-en-bossen-ingenieurs die het niet de moeite vonden om (op een enkele uitzondering na) alle verkeer te verbieden.

We mogen zeggen dat we ondertussen experts geworden zijn in het omgaan met 40-, 50 cm m diepe plassen, onbegaanbare wegen en kubieke meters slijk. Niet altijd eenvoudig want een deel van onze bagage transporteren we in een eenwielig Carrix-karretje (www.carrix.ch). Een prima voertuig maar niet echt berekend op eel veel slijk.

Morgen worden we terug afgezet waar we opgepikt werden om voor goed afscheid te nemen van Bea. Ergens in de omgeving van het Lac du Der, je weet wel dat meer waar in herfst en lente duizenden kraanvogels neerstrijken.

 

Dat het jullie allemaal goed gaat. We zien elkaar in november of december.

 

Brigit en Ludo


Sunday, September 23, 2007 10:55 AM

Beste allemaal,
 
St. Jean-Pied-de-Port, 23.9. We staan aan de voet van de Pyreneeën maar nemen eerst een dag rust voor we aan de oversteek beginnen. Samen met (schoon)broer Jef en schoonzus Tinne die een stukje van de camino mee zullen lopen.
Een rustdag wil sowieso zeggen: afscheid nemen van al wie geen rustdag neemt. En in St.-Jean-Pied-de-Port ook van de velen die hier dit jaar stoppen en volgend jaar nog een (laatste) stuk zullen lopen.
De camino heeft veel te maken met afscheid nemen, zeker als je voor lange tijd onderweg bent. Afscheid nemen: destijds, in juni, van het thuisfront. Dat was ook niet zo makkelijk vooral omdat we een kleinzoon van enkele maanden hebben. Vooral die kleinzoon missen we toch soms wel erg veel. Maar andere grootmoeders-pelgrims hebben Brigit daar erg goed in gesteund. Eentje is een echte vriendin geworden.
De vele ontmoetingen met andere pelgrims uit vele landen zijn echt een bijzonder belangrijk onderdeel van de camino. We verwachten dat de ontmoetingen in Spanje nog een veel internationaler karakter krijgen.
 
Pelgrims zijn er in vele soorten. Sommigen starten helemaal niet als pelgrim maar gewoon als fietser of wandelaar. Toch zijn velen van hen al snel ook met serieuze levensvragen, spirituele problemen en religieuze vragen bezig Niet dat er over dat soort dingen lang en zwaar gedebateerd wordt, maar je merkt gewoon aan zoveel kleine dingen en opmerkingen dat ze daarmee bezig zijn.
De echte pelgrim gedraagt zich niet als een toerist. Hij is niet bezig met eisen stellen en veel consumeren. Hij apprecieert ook veel meer de gewone dingen die hij krijgt, hij is een stuk dankbaarder dan de gewone toerist. Zeker tegenover de vele vrijwilligers in bv centres d'accueil, maar ook tegenover uitbaters van gîtes, althans de echt gemotiveerde. En die zijn er wel degelijk. Mensen die proberen - een beetje - hun boterham te verdienen (dat is met toeristen veel makkelijker dan met pelgrims!) maar die toch ook in grote mate bekommerd zijn om hun gasten.
De meeste pelgrims lopen gemiddeld zo'n 25 km per dag en houden zich voor 90 procent aan de GR/caminoroutes. Soms wordt er al eens een niet zonvolle beklimming vermeden of een al te grote bocht afgesneden. Enkele willen zo snel mogelijk in Santiago zijn en lopen 35, 40, 50 km per dag. Een enkeling kiest altijd voor de kortste weg en loopt langs départementales. Saai en dikwijls ook gevaarlijk.
 
De voorbije dagen waren nièt saai. Het landschap in de Béarn en Baskenland is mooi golvend en biedt af en toe heel fraaie uitzichten op de Pyreneeën. Alles wordt langzamer minder Frans, opschriften zijn tweetalig Frans-Baskisch (en indien niet, overschilderd, zoals in België), de Basken hebben hun eigen kruisen, hun eigen bouwstijl (rood-wit), kortom, de cultuur wordt helemaal anders.
Net voor de Béarn was het wel enkele dagen erg saai in de Gers: veel lange wegen en altijd maar maïs, maïs en maïs.
 
Ook in Moissac hebben we een dag rust genomen in de Carmel. Al lang geen karmelietenklooster meer maar een gemeentelijk logiescentrum gerund door veel vrijwilligers. Moissac is zonder meer een topper, omwille van de romaanse kloostergang van de voormalige benediktijnerabdij. En omwille van de abdijkerk met weer een indrukwekkend tympaan. Helaas heeft een cafébaas nu de toelating gekregen om zijn parasols tot vlakbij de kerk te plaatsen waardoor er geen vrij zicht meer is op de kerkdeur.
Condom, Air sur Adour, Eauze, Lectoure, het vestingstadje Navarrenx, aan erfgoed geen gebrek. Ook veel prachtige kleinoden. Ik noem er enkele:
- het hospitaalkerkje van de ridders van de Orde van Malta nabij de gîte Le Haget in Cravancères
- de romaanse kapel van Harambelz nabij Ostabat, ook al van de Maltezers
- de kapel van Caubin nabij Arthez de Béarn (van de hospitaalridders van St Jan)
- maar bv ook de St.Germainekapel tussen Marsolan en Condom, een mooi kleinood, gerestaureerd door de buurtgemeenschap...
 
Sommige dorpen zijn prachtig maar zielloos geworden door het alles dominerende toerisme. Het mooiste voorbeeld: St. Cirq Lapopie. Probeer er geen kruidenier te vinden. Een dorpsleven is er niet meer. Neen, geef ons dan maar bv Lauzerte of Auvilar...
 
We eten nog altijd veel fruit. Fruit uit veel te dure kleine épiceries, maar ook erg veel fruit dat we langs de weg plukken. Momenteel zijn dat vooral vijgen (heerlijk) plus noten en kastanjes. Ook nog veel bramen en af en toe een appel. Destijds zijn we met de krieken begonnen, later kwamen de frambozen, de bosbessen, de appelen, de peren en vooral de pruimen. Frankrijk is vooral een land van pruimen, van walnoten én van kweeperen (maar de laatste kunnen we natuurlijk niet eten).
 
Slapen doen we sinds kort niet meer in de tent. Die is met zoon Bert (onlangs op bezoek) terug naar huis gestuurd. In Spanje hebben we de tent immers niet nodig, wegens heel veel refugios. Ook de matjes en de Carrix-kar zijn dus terug naar Mortsel. We lopen nu allebei met de rugzak en slapen bijna altijd in gîtes d'étape, van de gemeente, of privé, al dan niet in een ferme. Vooral de gîtes van de keten 'Les Haltes vers Compostelle' zijn uitstekend. We koken wel dikwijls 's avonds nog zelf onze pasta en zijn daarmee eigenlijk een uitzondering. De meeste pelgrims kiezen voor half pension De keukens zijn meestal vrij  goed tot uitstekend uigerust. Soms slecht en dat wil alleen maar zeggen: kook liever niet zelf en ga bij onze middenstand eten. In Navarrenx bv. Overigens ook niet de properste gîte. Hier en daar zijn er wel problemen met bedvlooien, punaises de lit. De zorgen voor rijen erg jeukende beten. Gelukkig zijn die ons tot nu toe bespaard gebleven.
 
Problemen zijn er nog altijd met de achillespees van Ludo, maar dat is een constante geworden. Problemen zijn er eigenlijk ook met de schoenen. We hebben dringend een schoenmaker nodig maar die hebben geen tijd voor dringende klussen, of willen gewoon niet. Die van St. Jean Pied doet het alleen voor de dorpelingen.... Met afgesleten hielen gaan we dan morgen maar de berg over. Hopelijk kunnen we in Pamplona terecht.
 
Het kwartier internettijd dat ik in dit Centre d'Accueil kreeg is lang voorbij. Ik ga stoppen. Alleen nog een mooi beeld van een Portugese pélérine, ca. zestig jaar, gisteren:
 
korte nylonkousen, een supermarktzak en een rozenkrans in de ene hand, de rugzak soms op de rug maar ter afwisseling ook dikwijls horizontaal op haar hoofd....
 
Veel groetjes van Brigit en Ludo en dank voor de mailtjes van het thuisfront, dat doet altijd plezier.


BERICHT VAN LUDO VAN LINT 16.7.2007

Beste allemaal,

Een héél kort mailtje om te melden dat ons alles vrij goed gaat. We zitten wel al een achttal  dagen achter op het geplande schema. Dat heeft niets te maken met de knieproblemen van Brigit, wel met achillespees- en andere peesproblemen van Ludo. En, erger, met een onderbreking om zus Bea ten grave te dragen.

Maar we hebben al véél genoten van de reis. Heel leuke mensen ontmoet, pelgrims en andere. Gelogeerd bij vrienden, geslapen in refuges, chambres d’hôtes, hotelletjes, cafés, goeie en heel slechte campings, privé-tuinen, abdijen, logieshuizen van bisdommen en dekenijen, jeugdherbergen, b&b’s, … boeiend (en heel leerzaam voor al wie in het toerisme werkzaam is). Veel hebben we achter ons gelaten, we hebben geleerd om blij te zijn met heel eenvoudige dingen: brood en kaas om te eten, een bed om te slapen, droge kousen en schoenen, enkele uren zon en wind om een shirt of een broek te drogen, opgehangen aan een rugzak of het karretje. Eenvoudig was dat niet altijd. Tot voor enkele dagen hadden we vooral te maken met regen en regen en regen. En wegen en paden kapot gereden door boswwerkers, 4x4-rijders, motards en quadfanaten – met de steun van gemeentebesturen en waters-en-bossen-ingenieurs die het niet de moeite vonden om (op een enkele uitzondering na) alle verkeer te verbieden.

We mogen zeggen dat we ondertussen experts geworden zijn in het omgaan met 40-, 50 cm m diepe plassen, onbegaanbare wegen en kubieke meters slijk. Niet altijd eenvoudig want een deel van onze bagage transporteren we in een eenwielig Carrix-karretje (www.carrix.ch). Een prima voertuig maar niet echt berekend op eel veel slijk.

Morgen worden we terug afgezet waar we opgepikt werden om voor goed afscheid te nemen van Bea. Ergens in de omgeving van het Lac du Der, je weet wel dat meer waar in herfst en lente duizenden kraanvogels neerstrijken.

Dat het jullie allemaal goed gaat. We zien elkaar in november of december.

Brigit en Ludo



Naar het graf van Jacobus

Niet dat het graf van de apostel zo belangrijk is. De man ligt allicht niet eens begraven in Compostela. Maar het gegeven dat al eeuwen lang mensen pelgrimeren naar Santiago de Compostela is toch wel intrigerend. Nog meer intrigerend is het gegeven dat belangstelling de voorbije decennia wel heel sterk de hoogte in gaat. Allemaal pelgrims? Neen natuurlijk niet, heel veel toeristen. Maar in grote getale ook mensen die om een of andere diepere motivatie op stap gaan naar het noordwesten van Spanje. Een veelheid van motivaties, en ook dat maakt het bijzonder boeiend. Spirituele, religieuze motieven, sportieve motieven, de hoop op boeiende ontmoetingen,  de ultieme uitdaging,  de confrontatie met de natuur en met meer dan boeiende hoofdstukken uit onze cultuurhistorie. Veelal ook mensen voor wie de lange weg belangrijker is dan het einddoel.

Velen zien het als een terugblik op de voorbije jaren, als een bezinningsperiode ook om uit te maken wat in een volgende levensfase belangrijk kan en zal zijn. En zo is dat ook met mij – een jonge bruggepensioneerde – het geval. ‘Ik geloof je niet’ zei onlangs iemand me, ‘ik ben ervan overtuigd dat je zo lang op reis gaat omdat je heel veel boete moet doen voor heel veel zware zonden.’ Ik heb hem geantwoord dat hij ongetwijfeld een nog veel langere trip naar Compostela zal moeten maken. Waar hij op antwoordde met een grijnslach. Ontkennen deed hij niet.

Tentje

Je kan je op weg naar Santiago met veel comfort omringen en logeren in kwaliteitshotels en schitterende chambres d’hôtes met ’s avonds culinaire hoogstandjes overgoten met de beste wijnen. Ik kan er ook van genieten maar naar mijn gevoelen verwijdert dat comfort je alleen maar verder van de diepere motivatie. Neen,  bij een Santiagotocht hoort het dat je afstand neemt van het vanzelfsprekend geworden comfort. Dat je zoveel mogelijk los laat, dat je achter laat, dat je ervaart dat het ook met weinig kan,  in alle eenvoud. 

Dat we ook een tentje meenemen heeft hier ook wat mee te maken. Ten dele. Ik heb – samen met m’n vrouw – gekozen voor een maandenlange tocht. Tijd heb ik, waarom zou het dan allemaal zo snel mogelijk moeten gaan. Al te veel Compostelapelgrims willen langs de kortste route in zo weinig mogelijk dagen naar Compostela. Met ei zo na dezelfde haast als elke dag. Haast ook om toch maar zo vroeg mogelijk in de gîte,  auberge, of refugio aan te komen. Kwestie van zéker een bed te hebben. Met dat tentje hoop ik daaraan een beetje te kunnen ontsnappen. Ik wil niét zo snel mogelijk in de volgende etappeplaats toekomen, ik wil geplande etappes ook kunnen inkorten, ik wil tijd hebben om van landschap en natuur te genieten, ik wil tijd hebben om mooi historisch erfgoed te bezoeken, ik wil tijd hebben om rustig met pelgrims en  anderen te kunnen praten.

De keuze voor dat tentje heeft ook een budgettaire reden. We vertrekken op 15 juni en komen niet voor Allerheiligen terug. 135 dagen hotel of chambre d’hôte, daar heb ik geen spaarcenten voor. 

Kar

De andere kant van de medaille is natuurlijk het gewicht: tentje, kookspullen, eten, matjes, slaapzakken… Met kampeerspullen kom je makkelijk aan een rugzak van achttien kilogram in plaats van de wenselijke tien kilogram. En als dan ook nog een knie wat slijtage vertoont en een andere knie (van m’n vrouw) nog niet zo lang geleden hersteld is van een ongeval en een operatie…Wat doe je dan? Als je dan ook nog weet dat m’n vrouw ooit aan haar rug geopereerd is en geen al te zware rugzak mag dragen… Wat doe je dan?

Na veel wikken en wegen kwamen we uit bij een bagagekar als oplossing. Carrix heet ze. Een tweewielige kar die met twee karabiners aan een borstgordel hangt. Twintig kilo kan erin maar het voelt aan alsof je maar enkele kilo’s trekt. Eigenlijk een stevige reiszak op een draagstel met een groot en een klein wieltje eronder. Dat kleintje moet helpen om ook meer geaccidenteerd terrein te overwinnen. Desnoods kan je alles ook even op de rug dragen, want de zak heeft ook twee schouderriemen. Het draagstel is snel te (de)monteren en op te bergen in een zak. Neen, je ziet ze dus niet elke dag in het straatbeeld, dat is juist. Zeker niet in België. Je trekt dus meer de aandacht dan een gewone rugzaktoerist. En dat heeft ons even doen aarzelen. Maar de voordelen wegen niet op tegen dat ene, allicht te verwaarlozen, nadeeltje.

Niet alles kan in de Carrix. We dragen elk nog ook een niet helemaal gevulde 35 liter-rugzak, een kilo of zeven. Of de Carrix-kar aan de verwachtingen beantwoordde hoor je later wel.  www.carrix.ch